romp / romp ( de (m) | znw | rompen )
1胴体 [van mens of dier]
2船体 [van een schip]
3機体 [van een vliegtuig]
Kruisverwijzing
romp
lemma | meaning |
---|---|
bodī-ボディー | lichaam; romp; centrale deel; kern; voorwerp; object |
chijimu-縮む | krimpen; ineenkrimpen; verschrompelen; slinken |
chijireru-縮れる | krullend [kroezig; golvend] zijn; gekrompen zijn |
dōtai-胴体 | romp (van een lichaam, boot vliegtuig, etc.) |
fuiuchi-不意打ち | verrassingsaanval; overrompeling |
gōon-号音 | geluidssignaal; geluidssein (via een tempelbel, luidklok, grote trommel, trompet, etc.) |
hanbunjokurei-繁文縟礼 | bureaucratische formaliteiten [regels]; administratieve rompslomp |
henkyō-偏狭 | bekrompenheid; kleingeestigheid; kortzichtigheid; intolerantie |
higuchi-火口 | mond [tromp] van de loop van een geweer |
hōgan-砲眼 | de mond [tromp] van de loop van een geweer |
hōkō-砲口 | de mond [tromp] van de loop van een geweer |
hōmon-砲門 | de mond [tromp] van de loop van een geweer |
horagai-法螺貝 | trompetschelp; tritonshoorn (Charonia tritonis) |
ishuku-萎縮 | atrofie; verschrompeling; uitdroging |
jinsoku-迅速 | spoed; promptheid |
jin'ishuku-腎萎縮 | nieratrofie; schrompelnier |
jōhanshin-上半身 | bovenlichaam; romp |
jūkō-銃口 | mond; tromp (voorste opening van de loop van een geweer) |
kaminarioyaji-雷親父 | een slechtgehumeurde [prikkelbare] oude man; een oude brompot [mopperkont] |
kanken-管見 | bekrompen visie; tunnelvisie |
karipasu-カリパス | een krompasser (meetinstrument) |
katafune-片船 | romp [huls] van een vrucht (in de lengterichting doorsneden) |
keosareru-気圧される | geïmponeerd [geintimiteerd] worden; zich (door iemand) overweldigd [overrompeld voelen] |
kisasage-木豇豆 | gele trompetboom (Catalpa ovata) |
kurūpu-クループ | kroep (het achterste deel van de romp van het paard) |
kyaripasu-キャリパス | krompasser (meetinstrument) |
kyōai-狭隘 | (fig.) bekrompenheid |
kyōryō-狭量 | kleingeestigheid; bekrompenheid; vooringenomenheid; intolerantie; onverdraagzaamheid |
mazuru-マズル | mond [tromp] van de loop van een geweer |
nodomotojian-喉元思案 | oppervlakkige [bekrompen] gedachten [denkwijze] |
nōzenkazura-凌霄花 | trompetbloem; trompetklimmer (Campsis grandiflora) |
puronputā-プロンプター | teleprompter; autocue |
rappa-喇叭 | hoorn; bugel; trompet |
ronpāsu-ロンパース | (kinderkleding) romper; kruippakje |
sekken-席巻 | overweldiging; overrompeling |
senpuku-船幅 | het breedste gedeelte [de grootste breedte] van (de romp van) een schip |
sentai-船体 | scheepsromp |
shibomu-萎む | verwelken; verschrompelen; leeglopen |
shimogare-霜枯れ | het verwelken en verschrompelen van planten door vorst |
shinabiru-萎びる | verschrompelen; verwelken |
shōjin-小人 | een onbelangrijk [kleinzielig; bekrompen] persoon |
shōjinbutsu-小人物 | een onbeduidend [onbelangrijk; kleingeestig; bekrompen] persoon |
shōken-小見 | kortzichtigheid; bekrompen blik [mening] |
subomu-窄む | nauwer worden; verschrompelen; leeglopen (van een ballon) |
supīdī-スピーディー | snel; spoedig; prompt |
taikan-体幹 | romp; torso |
toranpetto-トランペット | trompet |
torusō-トルソー | torso; romp |
yoroke-蹌踉 | wankeling; struikeling; gestrompel |
yorokeru-蹌踉ける | waggelen; wankelen; struikelen; strompelen |
yoromeku-蹌踉めく | struikelen; strompelen; wankelen |