Kruisverwijzing
oom
lemma | meaning |
---|---|
abaregawa-暴れ川 | rivier die vaak overstroomt |
akachin-赤チン | mercurochroom; kinderjodium |
akagashi-赤樫 | groenblijvende Japanse eikenboom (Quercus acuta) |
akagi-赤木 | een boom, Bischofia javanica |
akagi-赤木 | een boomstam waarvan de bast [schors] is verwijderd |
akagi-赤木 | een boom met rood hout (zoals pruim, palissander, kweepeer, e.d.) |
akami-赤身 | kernhout; hout in het hart van een boom |
akashia-アカシア | acacia (boomsoort) |
akumu-悪夢 | nachtmerrie; nare [boze] droom |
akuseikokushokushu-悪性黒色腫 | een melanoom |
akuseirinpashu-悪性リンパ腫 | een kwaadaardige lymfoom [lymfkliergezwel] |
akutagawa-芥川 | de naam van een rivier, die stroomt in het gebied tussen Osaka en Kyoto |
amagaeru-雨蛙 | boomkikker |
āmondo-アーモンド | amandelboom |
anchō-暗潮 | de onderstroom; het (onwaarneembare) tij |
anchō-暗潮 | een onderstroom [tij] (fig.); nauwelijks waarneembare doch aanwezige kracht in de maatschappij [wereld] |
anjerasu-アンジェラス | angelus (gebed in rooms-katholieke kerk) |
anman-餡饅 | gestoomd (wit) broodje gevuld met bonenpasta |
anpea-アンペア | ampère (eenheid van elektrische stroomsterkte) |
anryū-暗流 | een onderstroom |
anryū-暗流 | een onderstroom (fig.); een onzichtbare tendens (vaak in negatieve zin) |
anten-暗点 | een gedeeltelijke uitval van het gezichtsveld; blinde vlek; scotoom |
aogaeru-青蛙 | groene boomkikker |
aogiri-青桐 | Chinese parasol boom (Firmiana simplex) |
arakawa-粗皮 | bast (van een boom); schil |
araki-粗木 | onbewerkt [nog niet geschaafd] blok hout; boomstam |
asunaro-翌檜 | Thujopsis dolabrata (boom uit de cipresfamilie) |
atomikku・enajī-アトミック・エナジー | atoomenergie; kernenergie |
atomikku・sabumarin-アトミック・サブマリン | kernonderzeeër; atoomonderzeeër |
atomizumu-アトミズム | atomisme; atoomtheorie |
atomu-アトム | atoom |
baien-梅園 | pruimenboomgaard |
bairin-梅林 | pruimen boomgaard |
bāku-バーク | schors; bast (van een boom) |
bakusuru-縛する | beperken; aan banden leggen; (vrijheid) inperken; in toom houden |
banjirō-蕃石榴 | guave (vrucht en boom; Psidium guajava) |
bankoku-万斛 | overvloed [stroom] van tranen |
bān'auto・shindorōmu-バーンアウト・シンドローム | burn-outsyndroom |
baumukūhen-バウムクーヘン | Duitse laagjescake (lijkt op boomringen) |
bebiibūmā-ベビーブーマー | babyboomer(s) (generatie mensen geboren na de tweede wereldoorlog, ca. 1946-1960) |
bijakudenryū-微弱電流 | zwakstroom |
bijon-ビジョン | visioen; droombeeld |
bodaiju-菩提樹 | Bodhiboom, Ficus religiosa (oorspronkelijk uit India; onder deze boom zou Boeddha de verlichting bereikt hebben) |
boirā-ボイラー | boiler; heetwaterketel; stoomketel; warmwaterreservoir |
bonchi-盆地 | stroomgebied; waterbekken; (ronde) vallei |
bonsai-盆栽 | miniatuurboom ontworpen als potplant |
bosen-母線 | spanningsrail; stroomrail; contactrail |
botan-牡丹 | boompioen (Paeonia suffruticosa) |
buna-橅 | beuk; beukenboom |
buraia-ブライア | boomheide (Erica arborea) |
buraiā-ブライアー | boomheide (Erica arborea) |
burēkā-ブレーカー | stroomonderbreker; zekering |
cherimoya-チェリモヤ | cherimoya (Zuid-Amerikaanse vrucht en boom, Annona cherimola) |
chikakei-地下茎 | wortelstok; eizoom |
chīku-チーク | teak (boom: Tectona grandis) |
chinchōge-沈丁花 | peperboompje (Daphne odora) |
chokuryū-直流 | gelijkstroom |
chōshizuku-調子づく | op gang [stoom] komen; in de stemming komen; zijn draai weten te vinden; opgetogen [enthousiast] worden; zich laten gaan |
daekisensenshokutai-唾液腺染色体 | speekselklierchromosoom |
daien-大円 | grootcirkel; orthodroom (een cirkel op een boloppervlak waarvan de straal gelijk is aan de straal van de bol) |
daigi-台木 | boomstam; moederstam; onderstam; boomstronk |
dajaku-惰弱 | zwak [slap; apathisch; lusteloos; loom] zijn |
dakuryū-濁流 | modderstroom |
dankiryū-暖気流 | warme luchtstroom |
darui-怠い | loom, sloom; lusteloos, traag |
dasshinyū-脱脂乳 | magere (afgeroomde) melk; taptemelk |
daunshōkōgun-ダウン症候群 | syndroom van Down; downsyndroom |
deiryū-泥流 | modderstroom |
dengen-電源 | elektriciteitsbron; stroombron; elektrische voeding; aan-uitknop |
denki-電気 | elektriciteit; stroom |
denran-電纜 | elektrisch snoer; stroomkabel |
denryū-電流 | elektrische stroom |
denshimeteronōmu-電子メトロノーム | kwartsmetronoom (quarz metronoom) |
dōjō-道場 | plek van de bodhiboom waar Boeddha de verlichting bereikte |
donā-ドナー | donor (in fysica: atoom dat een electron afstaat in halfgeleiders) |
donguri-団栗 | eikel (vrucht van een eikenboom) |
donsuru-鈍する | traag [sloom; saai] worden |
doresshingu・rūmu-ドレッシング・ルーム | (Eng.: dressing room) kleedkamer |
dorīmu-ドリーム | droom |
dosekiryū-土石流 | modderstroom; steenlawine; puinstroom |
doshasaigai-土砂災害 | modderstroom; aardverschuiving |
ea・doa-エア・ドア | een apparaat dat een luchtstroomgordijn creëert bij de ingang van een gebouw (om te voorkomen dat buitenlucht en stof binnendringen) |
ea・kāten-エア・カーテン | luchtgordijn, een apparaat dat een luchtstroomgordijn creëert bij de ingang van een gebouw (om te voorkomen dat buitenlucht en stof binnendringen) |
edaburi-枝ぶり | boomvorm; vorm van de boomgroei |
edozuma-江戸褄 | Edo-patroon (een patroon, uit de late Edo-periode, op de zoom van een effen (m.n. zwarte) kimono) |
eizu-エイズ | (acquired immunodeficiency syndrome) aids (immunodeficiëntiesyndroom) |
ekonomisuto-エコノミスト | econoom |
ekonomī・kurasushōkōgun-エコノミー・クラス症候群 | economyclass-syndroom; vliegtuigtrombose (door te krappe beenruimte) |
ekurea-エクレア | eclair (een langwerpig gebakje gevuld met banketbakkersroom en bedekt met een chocolade- of glazuurlaagje) |
enju-槐 | honingboom (Styphnolobium japonicum; Sophora japonica) |
enryonaku-遠慮なく | zonder voorbehoud; zonder terughoudendheid; onbeschroomd; zonder aarzeling |
fantomu-ファントム | fantoom; spook; geest; geestverschijning; spookverschijning |
fu-譜 | (familie) stamboom |
fūchō-風潮 | getijdenstroom (veroorzaakt door de wind) |
fūju-風樹 | een boom die ruist in de wind |
fukiotosu-吹き落とす | uit de boom waaien (van fruit) |
fukugōseikyokushotōtsūshōkōgun-複合性局所疼痛症候群 | (CRPS) complex regionaal pijn syndroom |
furō-フロー | stroom; stroming |
furōchāto-フロー・チャート | stroomschema; stroomdiagram; flowchart |
furō・chāto-フロー・チャート | stroomschema; een grafische weergave van workflow |
fushi-五倍子 | de Chinese sumak of galnoot {galappel} boom (Rhus chinensis) |
gairoju-街路樹 | straatboom; bomen langs de kant van de weg [straat] |
ganshū-含羞 | verlegenheid; schroom |
ganshu-癌腫 | carcinoom; kankergezwel; (kwaadaardige) tumor |
gasunuki-ガス抜き | (fig.) het stoom afblazen; afkoelen; (frustraties, e.d.) ventileren |
gekiryū-激流 | snelle stroming; stroomversnelling |
gekkei-月桂 | (afk. voor) laurierboom (Laurus nobilis) |
gekkei-月桂 | in een Chinese legende, een laurierboom op de maan |
gekkeiju-月桂樹 | laurierboom (Laurus nobilis) |
genbaku-原爆 | atoombom |
genomu-ゲノム | (biologie) genoom (alle genen van een individu) |
genshi-原子 | atoom |
genshibakudan-原子爆弾 | atoombom |
genshidokei-原子時計 | atoomklok |
genshienerugī-原子エネルギー | kernenergie; atoomenergie |
genshiji-原子時 | atoomtijd |
genshikaku-原子核 | atoomkern |
genshiro-原子炉 | kernreactor; atoomreactor |
genshiron-原子論 | atomisme; atoomtheorie |
genshiryō-原子量 | atoommassa; atoomgewicht |
genshiryokusensuikan-原子力潜水艦 | kernonderzeeër; atoomonderzeeër |
gensō-幻想 | droombeeld; illusie; fantasie |
gen'ei-幻影 | illusie; droombeeld; hersenschim |
giboku-擬木 | paal of pilaar van beton of plastic met boomschorsmotief (zodat het lijkt op een boomstam) (in parken, e.d.) |
gobaishi-五倍子 | de Chinese sumak of galnoot {galappel} boom (Rhus chinensis) |
goddofāzā-ゴッドファーザー | peetvader; peetoom; doopvader |
gotō-梧桐 | (Firmiana simplex) Chinese parasolboom; Chinese hoedenboom |
guaba-グアバ | guave (vrucht en boom; Psidium guajava) |
guriru-グリル | grillroom; grillrestaurant |
gurume-グルメ | gourmet; fijnproever; gastronoom |
gyakuryū-逆流 | terugstroom; oprisping |
gyakuryūsuru-逆流する | terugstromen; achteruit stromen; stroomopwaarts stromen; oprispen |
ha-葉 | een blad (van een plant, boom, of bloem) |
hahaso-柞 | konara eik [eikenboom] (Quercus serrata) |
haiga-俳画 | Japanse stijl van schilderkunst (monochroom of polychroom; verfijnde of eenvoudige stijl met vaak een haiku of proza als bijschrift of legenda) |
hajikeru-弾ける | (fig.) zich laten gaan; afreageren; stoom afblazen |
hakuchūmu-白昼夢 | dagdroom |
hannoki-榛の木 | de Japanse Els (een boom: Aldus japonica) |
harienju-針槐 | Robinia pseudoacacia (boomsoort) |
hasui-破水 | (med.) het breken van de vliezen (voor de bevalling); vruchtwaterstroom |
hatankyō-巴旦杏 | amandel(boom) (Prunus dulcis) |
hatsukagusa-二十日草 | boompioen (Paonia suffruticosa) |
hatsuyume-初夢 | je eerste droom in het (nieuwe) jaar |
hayase-早瀬 | een sterke stroming; stroomversnelling |
hazakura-葉桜 | een kersenboom waar de bladeren zijn uitgekomen (nadat de bloesem is afgevallen) |
henzai-辺材 | spinthout (buitenste jaarringen van een boom) |
hikkorī-ヒッコリー | bitternoot (Amerikaanse notenboom: Carya) |
himekomatsu-姫小松 | kleine [lage] den [pijnboom] |
hisen-飛泉 | stroomversnelling |
hitomoto-一本 | eén stuk hout; eén boom [plant, e.d.] |
hito・genomu-ヒト・ゲノム | menselijk genoom |
hiyorimi-日和見 | opportunisme; afwachtende houding; besluiteloosheid; de kat uit de boom kijken |
hoippu-ホイップ | (op)kloppen; slagroom |
honmō-本望 | lang gekoesterde wens; ultieme droom |
honryū-奔流 | woeste stroom (water) |
hoshii-糒 | rijst die eerst gaargestoomd is en daarna gedroogd (makkelijk mee te nemen op reis en klaar om te eten na het te weken in water) |
hōshoyaki-奉書焼き | een gerecht waarbij vis [zeevruchten; paddenstoelen] in papier gewikkeld worden gestoomd op een open vuur |
hotsue-上枝 | kruintak [bovenste tak] van een boom |
ichijiku-無花果 | vijgenboom (Ficus carica) |
ichiju-一樹 | een [één] boom |
ichō-銀杏 | ginkgo boom (Ginkgo biloba) |
idiomu-イディオム | idioom |
iki-息 | stoom; damp |
inparusu-インパルス | stroomstoot; puls |
iryūjon-イリュージョン | illusie; hallucinatie; hersenschim; waandenkbeeld; droombeeld; fantasie; zinsbegoocheling |
itosugi-糸杉 | cipres (boom) |
iwatokeiki-岩戸景気 | Iwato Boom ( periode van economische bloei, 1958-1961) |
jakuden-弱電 | zwakstroom (elektrische stroom met lage spanning) |
jettokiryū-ジェット気流 | jetstream; straalstroom |
jichiku-自治区 | autonoom [zelfbesturend] gebied; gebied [regio; wijk] met autonomie |
jinchōge-沈丁花 | peperboompje (Daphne odora) |
jinkō-沈香 | aquilaria (boom); agarhout |
jinmukeiki-神武景気 | Jimmu Boom (periode van economische bloei in het midden van de jaren 1950) |
jishuteki-自主的 | zelftstandig; autonoom; onafhankelijk |
jōji-畳字 | kanji-idioom (een uitdrukking met meerdere kanji) |
jōki-蒸気 | stoom |
jōkisen-蒸汽船 | (arch.) stoomboot |
jōryokuju-常緑樹 | wintergroene boom; altijd groenblijvende boom |
jōryū-上流 | bovenstroom; stroomopwaarts |
juei-樹影 | de schaduw van een boom |
juhyō-樹氷 | een boom bedekt met rijp [rijm] |
jujō-樹上 | (boven) in een boom |
juka-樹下 | onder een boom |
jukasekijō-樹下石上 | (slapen) onder een boom of op een steen (zoals een Boeddhistische monnik op pelgrimage) |
juku-塾 | privéschool; stoomcursus (ter voorbereiding op toelatingsexamen voor middelbare scholen en universiteiten) |
jumoku-樹木 | (levende) boom |
jumokui-樹木医 | boomverzorging; boomgeneeskunde |
jumokui-樹木医 | boomverzorger (vroeger aanduiding voor boomchirurgie en boomchirurg, heden voor boomkwakzalverij) |
jurei-樹齢 | de leeftijd [ouderdom] van een boom |
kaba-樺 | berk; berkenboom |
kabanoki-樺の木 | berk; berkenboom |
kabu-株 | boomstronk; stam; wortelstok |
kachū-渦中 | draaikolk; maalstroom (ook fig.) |
kafe-カフェ | café; koffiehuis; tearoom |
kaibōgakusha-解剖学者 | anatoom; ontleedkundige |
kaibun-回文 | palindroom; keerwoord |
kaidō-海棠 | sierappel boom (Malus) |
kairo-回路 | stroomcircuit; stroombaan (elektriciteit) |
kairo-回路 | denkpatroon; gedachtestroom |
kaju-果樹 | fruitboom |
kakao-カカオ | cacao (boom of boon) |
kakei-家系 | familielijn; afkomst; stamboom |
kaki-柿 | kaki boom {Diospyros kaki) |
kaku-核 | (cel of atoom) kern; middelpunt; pit |
kakubunretsu-核分裂 | kernsplijting; atoomsplitsing |
kakudaisuru-拡大する | (uit)vergroten; inzoomen |
kamaboko-蒲鉾 | surimi van gepureerde witvis (in de vorm van een boomstammetje) |
kamite-上手 | bovenste deel; stroomopwaarts (rivier) |
kan-幹 | (boom)stam; steel; schacht (van een pijl) |
kanbai-寒梅 | vroegbloeiende pruimenboom |
kanran-橄欖 | (Chinese) witte olijfboom (Canarium album) |
kansuichitai-冠水地帯 | overstroomd gebied |
kan'yōku-慣用句 | idioom |
karamatsu-唐松 | Japanse lariks(boom) |
kareki-枯れ木 | dorre [dode] boom |
karyokuhatsudensho-火力発電所 | kolencentrale; elektriciteitscentrale met stoomturbine |
karyū-下流 | benedenstroom; stroomafwaarts |
kasairyū-火砕流 | pyroclastische stroom |
kasen-架線 | bovengrondse bedrading; (elektrische) bovenleiding; stroomleiding |
kasha-火車 | oude Chinese stoomtrein |
kashi-樫 | (groenblijvende) eik; eikenboom (Fagaceae-familie) |
katsura-桂 | katsuraboom (Cercidiphyllum japonicum) |
katsuyōju-闊葉樹 | loofboom |
kawa-川 | rivier; stroom |
kawajiri-川尻 | benedenstroom (van een rivier) |
kawakami-川上 | stroomopwaarts |
kawakudari-川下り | stroomafwaarts |
kawashimo-川下 | stroomafwaarts |
kei-桂 | kaneelboom |
keifu-系譜 | stamboom; genealogie; afkomst |
keigun-鶏群 | een toom kippen |
keihi-桂皮 | kaneel (kruid van de bast van de kaneelboom) |
keiken-敬虔 | vroomheid; eerbiedigheid; devotie |
keiryū-渓流 | een stroom [rivier] in een bergvallei |
keitō-系統 | familielijn; stamboom |
keizaigakusha-経済学者 | econoom |
kenga-懸河 | snelle stroom; snel stromende rivier; stroomversnelling |
kenka-堅果 | noot (boomvrucht) |
kenshikan-検死官 | patholoog anatoom; lijkschouwer |
kenshikan-検視官 | patholoog-anatoom; lijkschouwer; forensisch-medisch specialist |
kesshu-血腫 | bloeduitstorting; hematoom |
ketsumyaku-血脈 | bloedverwantschap; bloedlijn; stamboom; genealogie |
ketsuryū-血流 | bloedstroom |
kettō-血統 | bloedverwantschap; bloedlijn; stamboom; genealogie |
keyaki-欅 | Japanse zelkova boom (Zelkova serrata) |
ki-木 | boom |
ki-汽 | (in kanji combinaties) damp; stoom |
kihada-木肌 | boomschors |
kinoborisuru-木登りする | in een boom klimmen |
kinome-木の芽 | bladknop (aan boom) |
kinomi-木の実 | vrucht (van een boom); noot; bes |
kinshu-筋腫 | vleesboom; myoom |
kiokure-気後れ | verlegenheid; gêne; schroom; gebrek aan zelfvertrouwen |
kiri-桐 | Anna Paulownaboom (Paulownia tomentosa) |
kirihitoha-桐一葉 | één (vallend) blad van de Anna Paulownaboom (als teken van het begin van de herfst) |
kirikabu-切り株 | (boom)stronk; stoppels (van graan, etc.) |
kiryū-気流 | luchtstroom |
kisasage-木豇豆 | gele trompetboom (Catalpa ovata) |
kisen-汽船 | stoomboot |
kisenyado-汽船宿 | (haven)hotel voor stoomboot passagiers (en tijdelijke opslag van hun particuliere baggage) |
kisha-汽車 | trein; stoomtrein |
kiteki-汽笛 | een stoomfluit |
kiteki-汽笛 | het geluid van een stoomfluit |
kizashi-兆し | teken; aanwijzing; symptoom |
ko-股 | (van een weg, boom, e.d.) vork; vertakking |
kōban-交番 | afwisseling; wissel (stroom) |
koboku-古木 | een oude [eeuwenoude] boom |
kobu-瘤 | knoest (van een boom) |
kobushi-辛夷 | Japanse magnolia boom (Magnolia kobus) |
koguchi-木口 | de zaagkant van een boomstam [van een afgezaagde boom]; de doorsnede van een boomstam |
kokorookinaku-心置きなく | zonder terughoudendheid [schroom; voorbehoud; aarzelen; reserve]; onbevreesd |
kokoyashi-ココ椰子 | kokospalm; klapperboom (Cocos nucifera) |
konara-コナラ | konara eik [eikenboom] (Quercus serrata) |
kondōmu-コンドーム | condoom |
konkei-根茎 | wortelstok; rizoom |
konoha-木の葉 | boomblad; bladeren; gebladerte |
konome-木の芽 | bladknop (aan boom) |
konomi-木の実 | vrucht (van een boom); noot; bes |
korekutā-コレクター | (elektriciteit) collector; stroomafnemer |
korona-コロナ | (elektriciteit) corona (wit licht bij wisselstroomspanning) |
korusakofushōkōgun-コルサコフ症候群 | korsakovsyndroom |
kōryū-交流 | wisselstroom; wisselspanning |
kōtei-孝悌 | (confucianisme) eerbied voor ouderen; kinderlijke gehoorzaamheid; vroomheid; broederliefde |
kōtoku-高徳 | grote deugd; deugdzaamheid; vroomheid |
kōyōju-広葉樹 | loofboom |
kozue-梢 | boomkruin; boomtop |
kōzui-洪水 | stortvloed; stroom (van producten, informatie, e.d.) |
kuikkusuteppu-クイックステップ | quickstep (ballroomdans); snelle pas |
kuri-栗 | Japanse kastanje (boom, Castanea crenata ) |
kurīmu-クリーム | room; slagroom |
kurisumasu・tsurī-クリスマス・ツリー | kerstboom |
kurogaki-黒柿 | Kurogaki, een groenblijvende boom, van de familie van de kaki bomen (Diospyros kaki) met donkere vruchten |
kuromu-クロム | chroom (chem. element) |
kuroshio-黒潮 | Kuroshio, Japanse zeestroom in de Stille Oceaan |
kūsō-空想 | fantasie; verbeelding; dagdroom |
kusunoki-樟 | kamferboom (Cinnamomum camphora) |
kuwa-桑 | moerbeiboom ((Morus alba)) |
kyasshu・furō-キャッシュ・フロー | geldstroom; kasstroom (verschil tussen inkomsten en uitgaven) |
kyōkō-教皇 | de Paus (hoofd van de rooms-katholieke kerk) |
kyokusui-曲水 | water dat stroomt rond een tuin of bos, of onderaan een berg |
kyūchō-急潮 | plotseling hoog water (doordat oceaanwater plotseling een baai instroomt door drukverschil op zee); plotselinge snelle stroming |
kyūden-強電 | sterkstroom (de (normale) elektrische stroom met hoge spanning) |
kyūden-給電 | lichtnet; stroomvoorziening; voeding [toevoer] van elektriciteit |
mahoganī-マホガニー | mahonie (boom; hout) |
makkōkusai-抹香臭い | (fig.) het ruiken naar religie; erg religieus [vroom] zijn |
mākyurokuromu-マーキュロクロム | mercurochroom |
manē・furōhyō-マネー・フロー表 | geldstroom overzicht |
mangakissa-漫画喫茶 | theehuis [lunchroom] met een boekenkast met stripboeken, die klanten kunnen lezen tijdens de maaltijd |
manjū-饅頭 | gestoomd broodje met vulling |
manjūgasa-饅頭笠 | een platte hoed dop met een afgeronde bovenkant (als de vorm van een gestoomd broodje) |
manobi-間延び | traagheid; sloomheid; langdradigheid; saaiheid |
maruki-丸木 | boomstam |
marukibashi-丸木橋 | een brug gemaakt van boomstammen |
marukibune-丸木舟 | boomstamkano (kano gemaakt van een uitgeholde boomstam) |
maruta-丸太 | boomstam |
marutanbō-丸太ん棒 | boomstam |
masayume-正夢 | een droom die uitkomt; voorspellende droom |
matsu-松 | den; dennenboom; pijnboom (Pinus) |
matsugae-松が枝 | de takken van een dennenboom |
matsunomi-松の実 | pijnboompit; pijnpit |
meboshi-目星 | leucoma; leukoom (oogafwijking) |
metasekoia-メタセコイア | watercipres; Chinese mammoetboom (Metasequoia glyptostroboides) |
metoronōmu-メトロノーム | metronoom |
midorueiji・shindorōmu-ミドルエイジ・シンドローム | midlifecrisis; middelbare leeftijdssyndroom |
minamatabyō-水俣病 | Minamataziekte, een neurologisch syndroom (veroorzaakt door een zware kwikvergiftiging) |
misa-ミサ | mis (rooms-katholieke kerkdienst) |
mitarashi-御手洗 | (afk. voor) een rivier die vlakbij een heiligdom stroomt (en ook door pelgrims wordt gebruikt om hun mond met water te spoelen) |
mitarashigawa-御手洗川 | een rivier die vlakbij een heiligdom stroomt (en ook door pelgrims wordt gebruikt om hun mond met water te spoelen) |
miyamazakura-深山桜 | Miyama kersenboom (Prunus maximowiczii) |
mizuke-水気 | vochtigheid; damp; stoom |
mizusaki-水先 | stroomrichting; koers (van een schip) |
mochi-黐 | vogellijm (rubberachtige substantie verkregen uit boomschors, die werd gebruikt om kleine vogels mee te vangen) |
mochinoki-黐の木 | een hulstboom (Ilex integra, ook wel mochi-boom genoemd) |
mokuhi-木皮 | boomschors; de schors [bast] van een boom |
momo-桃 | perzik (vrucht); perzikboom |
monbatsu-門閥 | (goede) komaf; afkomst; stamboom |
monogusa-物臭 | luiheid; sloomheidheid; luiaard; een lui iemand |
monokuro-モノクロ | monochroom; eenkleurig |
monokurōmu-モノクローム | monochroom; eenkleurig |
mosamosa-もさもさ | sloom; langzaam; dom (persoon) |
mōten-盲点 | (med.) een blinde vlek (in het gezichtsveld); een scotoom |
moyō-模様 | lijken op; ernaar uitzien dat; uiterlijk; omstandigheden; situatie; symptoom; teken (van) |
muchū-夢中 | in een droom |
muma-夢魔 | een duivelsverschijning die in een droom verschijnt (incubus, een mannelijke demon, of succubus, een vrouwelijke demon) |
mushiburo-蒸し風呂 | stoombad |
mushigashi-蒸し菓子 | Japanse gestoomde confiserie (snoepgoed, cake, e.d.) |
mushimono-蒸し物 | gestoomd eten [voedsel] |
musō-夢想 | droom; droombeeld |
naegi-苗木 | zaailing; jong boompje |
nagare-流れ | stroming; stroom; rivier |
nagare-流れ | (fig.) stroom; loop; gang; passage; het voorbijgaan |
nagarezu-流れ図 | stroomschema; stroomdiagram; flowchart |
namakurīmu-生クリーム | verse room; slagroom |
namidagawa-涙川 | een stortvloed [stroom] van tranen |
nara-楢 | eik; eikenboom (Quercus) |
naraseru-生らせる | vrucht laten dragen; ervoor zorgen dat er veel vruchten komen (aan een boom) |
narimono-生り物 | een boom die vruchten draagt |
natsumikan-夏蜜柑 | de Chinese citroenboom, een groenblijvende fruitboom van de fam. Rutaceae |
natsutsubaki-夏椿 | een zomercamellia [Stewartia pseudocamellia], een in de zomer bloeiende, bladverliezende boom (die vaak ten onrechte shara no ki [シャラノキ] wordt genoemd |
nattsu-ナッツ | noot; noten (boomvrucht) |
neagari-根上がり | wortels van een boom die boven de grond zichtbaar zijn |
nekko-根っこ | boomstronk |
nenrin-年輪 | de jaarringen (van een boom) |
nibui-鈍い | langzaam; traag; sloom |
nikkei-肉桂 | kaneelboom (Cinnamomum sieboldii) |
niku-肉 | bloedverwantschap; stamboom |
nikumanjū-肉饅頭 | gestoomd broodje met vleesvulling |
nikuromu-ニクロム | nichroom (mengsel van nikkel en chroom) |
nire-楡 | iep; iepenboom; olm |
niseakashia-贋アカシア | Robinia pseudoacacia (boomsoort) |
niwatoko-接骨木 | Japanse vlierboom (Sambucus williamsii) |
noboriayu-上り鮎 | jonge ayu (vissen: Plecoglossus altivelis) die stroomopwaarts zwemmen (in de lente) |
noboribune-上り船 | een schip dat stroomopwaarts vaart; de boot die vaart van het platteland richting de streek van Kyoto-Osaka |
noboriyana-上り簗 | een fuik om vis te vangen die stroomopwaarts zwemt |
noboru-上る | (bij een rivier) stroomopwaarts gaan |
noppikinaranai-退っ引きならない | onvermijdelijk; onontkoombaar; onafwendbaar; onweerstaanbaar |
noronoro-のろのろ | (onomatopee) langzaam; sloom; slepend |
nurakura-ぬらくら | lui; gemakzuchtig; sloom; doelloos |
nyūton-ニュートン | Isaac Newton (Brits natuurkundige, astronoom en wiskundige) |
ochiayu-落ち鮎 | ayu (vissen), die stroomafwaarts in de rivier zwemmen om eieren te gaan leggen |
oiki-老い木 | een oude boom |
oji-伯父 | oom |
ojisan-伯父さん | oom |
ōku-オーク | eik; eikenboom |
omoi-重い | onhandig; sloom; langzaam |
ooichō-大銀杏 | grote ginkgoboom |
oooji-大伯父 | oudoom |
orību-オリーブ | olijfboom (Olea europaea); olijf |
ōshokushu-黄色種 | xanthoom (gele gezwelvorming in de huid) |
oyashio-親潮 | Oyashio; Koerilen stroom (subarctische oceaanstroom) |
pannoki-パンの木 | broodboom (Artocarpus altilis) |
papaia-パパイア | papaja (boom en vrucht) |
papaiya-パパイヤ | papaja (boom en vrucht) |
pītā・pan・shindorōmu-ピーター・パン・シンドローム | peterpansyndroom; peterpancomplex (mannen die zich niet kunnen aanpassen aan de volwassen samenleving) |
pī・etchi・esu-ピー・エッチ・エス | (personal handy-phone system) mobiel netwerksysteem met laag stroomverbruik (ontwikkeld in Japan) |
puratanasu-プラタナス | plataan (boom) |
rakuyōju-落葉樹 | een bladverliezende boom; boom die zijn blad verliest in de herfst |
rebā-レバー | hendel; hefboom |
reiboku-霊木 | heilige boom |
reishi-茘枝 | lychee (boom en vrucht) (Litchi chinensis) |
renrakumō-連絡網 | telefoonboom; telefoonketen; telefooncirkel |
rikiten-力点 | drukpunt (op een hendel, hefboom, etc.) |
rīku-リーク | lekkage (van electriciteit); stroomlekkage; kortsluiting |
rīkudenryū-リーク電流 | lekstroom |
rindenbaumu-リンデンバウム | linde; lindeboom (Tilia × europaea) |
risōkyō-理想郷 | Utopia; heilstaat; droomland |
rōbai-老梅 | oude pruimenboom |
rōbai-蠟梅 | meloenboompje; winterzoet (Chimonanthus praecox) |
rōboku-老木 | een oude [eeuwenoude] boom |
rogu-ログ | boomstam; blok hout |
rōma・katorikkukyō-ローマ・カトリック教 | het Rooms-katholieke geloof |
rōma・katorikkukyōkai-ローマ・カトリック教会 | de Rooms-katholieke kerk |
rōru・kēki-ロール・ケーキ | boomstam; koninginnenbrood (Swiss role cake) |
runba-ルンバ | roomba (merknaam van een robotstofzuiger) |
ryokunaishō-緑内障 | glaucoom; groene staar |
ryūdō-流動 | stroom; (door)stroming; circulatie |
ryūnyū-流入 | toevloed; instroom; toestroom |
ryūryō-流量 | stroomsnelheid; debiet |
ryūryōkei-流量計 | stroomsnelheidmeter; debietmeter |
ryūsenkei-流線形 | aerodynamische [gestroomlijnde] vorm |
ryūshutsu-流出 | uitstroom; afvoer; uitloop; lekkage; lozing |
ryūshutsuritsu-流出率 | uitstroom [uitloop] percentage [volume] |
sairyū-細流 | beekje; kleine stroom; smalle rivier |
saishiki-彩色 | het kleuren; polychroom [veelkleurig] zijn |
sakanoboru-遡る | stroomopwaarts gaan |
sākitto-サーキット | (elektrisch) circuit; stroomkring |
sakura-桜 | kersenboom; kersenbloesem |
sattō-殺到 | gedrang; plotselinge drukte; grote toeloop; stroom (fig.) |
sauna-サウナ | (Fin.: sauna) sauna; stoombad |
sawā・kurīmu-サワー・クリーム | zure room |
se-瀬 | stroomversnelling |
seiku-成句 | frase; uitdrukking; idioom |
seirō-蒸籠 | bamboe stoommandje |
seiryū-清流 | heldere stroom (water) |
seisei-凄清 | harde [gure] kou; koele windstroom |
seiyōsumomo-西洋李 | Westerse pruimenboom; pruim |
seiyōtoneriko-西洋トネリコ | es; essenboom (Fraxinus excelsior) |
sekoia-セコイア | kustmammoetboom (sequoia sempervirens) |
sendan-栴檀 | Indische sering [kralenboom] (loofboom, Melia azedarach) |
senshokutai-染色体 | chromosoom |
sentā・bentsu-センター・ベンツ | een split onder de middenzoom aan de achterkant van een jas |
seriumu-セリウム | Cerium (een scheikundig element met symbool Ce en atoomnummer 58). |
shadanki-遮断機 | spoorboom; slagboom |
shakōdansu-社交ダンス | ballroomdans(en) |
shibaguri-柴栗 | een Japanse kastanjeboom (met kleine, maar lekkere, vruchten) |
shibaru-縛る | beperken; aan banden leggen; (vrijheid) inperken; in toom houden |
shii-椎 | naaldboom Castanopsis cuspidata (Japanse Chinquapin) |
shikimi-樒 | Japanse steranijs (boom of struik: Illicium anisatum) |
shikinryūnyū-資金流入 | instroom van fondsen |
shikkubirushōkōgun-シックビル症候群 | sickbuildingsyndroom |
shikkuhausushōkōgun-シックハウス症候群 | sickbuildingsyndroom |
shikyūgan-子宮がん | baarmoederkanker; uteruscarcinoom |
shikyūkeigan-子宮頸癌 | baarmoederhalskanker; cervixcarcinoom |
shimote-下手 | het onderste deel; stroomafwaarts (rivier) |
shinamon-シナモン | kaneel (kruid van de bast van de kaneelboom) |
shinamon-シナモン | kaneelboom (Cinnamomum zeylanicum) |
shinboku-神木 | heilige boom; boom op het terrein van een heiligdom |
shinboku-神木 | een boom bewoond door een god of geest |
shindorōmu-シンドローム | syndroom |
shintekigaishōgosutoresushōgai-心的外傷後ストレス障害 | (PTSS) posttraumatisch stresssyndroom; posttraumatische stressstoornis (PTSD, post-traumatic stress disorder) |
shinzai-心材 | kernhout; hout in het hart van een boom |
shin'yōju-針葉樹 | naaldboom |
shiomushi-塩蒸し | het stomen met zout; voedsel dat is gestoomd met zout |
shirotae-白栲 | witte stof (geweven van vezels uit boomschors) |
shitaeda-下枝 | onderste [lage] tak van een boom |
shitoron-シトロン | muskuscitroen; sukadeboom |
shizue-下枝 | onderste [lage] tak van een boom |
shōjō-症状 | symptoom; medische conditie (van een patiënt) |
shokishōjō-初期症状 | het eerste symptoom |
shōkō-症候 | symptoom |
shōkōgun-症候群 | syndroom |
shorinōryoku-処理能力 | verwerkingscapaciteit, doorvoer [doorstroom] capaciteit |
shōrūmu-ショールーム | showroom; toonzaal; presentatieruimte |
shōtokēki-ショートケーキ | lagen cake of biscuitgebak met room en vruchten ertussen |
shuku-叔 | (in kanji combinaties) oom |
shūkurīmu-シュークリーム | (Frans: chou á la crème) roomsoesje |
shūkyōshin-宗教心 | vroomheid; devotie |
shūmai-シューマイ | Chinese gestoomde dumplings gevuld met vlees |
shuryū-主流 | hoofdstroom van een rivier |
shuryū-主流 | (fig.) hoofdstroom; heersende stroming; voornaamste trend [richting] (in kunst, cultuur, e.d.) |
shuso-主訴 | belangrijkste klacht [symptoom] (van een patiënt) |
shūso-臭素 | broom (chem. element) |
sōden-桑田 | moerbeiboomgaard; moerbeiplantage |
sofuto・kurīmu-ソフト・クリーム | softijs; roomijs |
someiyoshino-染井吉野 | Yoshino kersenboom (Prunus yedoensis) |
sono-園 | tuin; park; boomgaard |
sorayume-空夢 | een droom die niet uitkomt; een valse droom; misvatting |
soshiaru・dansu-ソシアル・ダンス | stijldansen; ballroomdansen |
suchīmu-スチーム | stoom |
sujime-筋目 | stamboom; afkomst |
sukimu・miruku-スキム・ミルク | taptemelk; magere (afgeroomde) melk |
sukin-スキン | condoom |
sumomo-李 | Japanse pruimenboom; pruim |
sunēkuuddo-スネークウッド | letterhout of slangenhout (hout met een natuurlijke tekening lijkend lettersschrift of op slangenhuid, van de tropische boom Brosimum guianense) |
suso-裾 | (van kleding) zoom; manchet |
suwapputorihiki-スワップ取引 | ruilcontract (waarbij een partij een bepaalde kasstroom of risico ruilt met dat van een andere partij) |
tachiki-立ち木 | een rechte [opgroeiende] boom |
tahatsuseikotsuzuishu-多発性骨髄腫 | multipel myeloom (ziekte van Kahler) |
taiden-帯電 | elektrificatie; elektrisering; het onder spanning [stroom] zetten |
tairyū-対流 | convectiestroom; convectiestroming |
tamamoku-玉目 | een (mooie) ronde houtnerf in het hout van een boom (zoals b.v. bij de Zelkova boom) |
tanigawa-谷川 | bergbeek; rivier die door het dal stroomt |
taranoki-楤の木 | (Aralia elata) duivelswandelstok; engelenboom; engelwortelboom |
tazuna-手綱 | teugels; toom (voor paarden) |
tazuna-手綱 | (fig.) teugels; toom; controle; beteugeling; bedwang |
teiden-停電 | stroomuitval; stroomstoring; stroomonderbreking |
tekkotsu-鉄骨 | schildertechniek om een oude abrikozenboom af te beelden |
tekunoekonomisuto-テクノエコノミスト | techno-econoom (een technologisch onderlegd econoom) |
tenshon-テンション | (stroom)spanning; trekspanning |
tenshukyō-天主教 | het Rooms-katholieke geloof |
tesutā-テスター | klein instrument voor meting van stroom(spanning) |
tīrūmu-ティールーム | tearoom; theesalon |
tokkun-特訓 | intensieve training; stoomcursus |
toneriko-梣 | es; essenboom (Fraxinus japonica) |
torakōma-トラコーマ | trachoom (oogbindvliesontsteking) |
torappu-トラップ | stoomafsluiter |
torimochi-鳥黐 | vogellijm (rubberachtige substantie verkregen uit boomschors, die werd gebruikt om kleine vogels mee te vangen) |
toriosaeru-取り押さえる | onderdrukken; in toom houden |
ubazakura-姥桜 | een vroeg bloeiende kersenboom |
ueki-植木 | gekweekte boom (in een tuin) |
ueki-植木 | boom in pot; bonsai; dwergboom |
uirō-外郎 | traditionele Japanse gestoomde zoetigheid (gemaakt van rijstmeel en suiker) |
uirōmochi-外郎餠 | traditionele Japanse gestoomde zoetigheid (gemaakt van rijstmeel en suiker) |
ume-梅 | Japanse abrikoos (boom: Prunus mume) |
uraki-末木 | boomtop |
urushi-漆 | lakboom (Rhus verniciflua) |
uwaeda-上枝 | kruintak [bovenste tak] van een boom |
uzu-渦 | draaikolk; werveling; maalstroom |
uzumaki-渦巻き | draaikolk; werveling; maalstroom |
wakagi-若木 | jong boompje; jonge plant |
wakamatsu-若松 | jonge pijnboom [den] |
yamatsunami-山津波 | modderstroom; steenlawine; aardverschuiving |
yarimizu-遣り水 | (in een Japanse tuin) stroom; beekje |
yoginai-余儀ない | onvermijdelijk; onontkoombaar; onafwendbaar; gedwongen; niet anders kunnen |
yūdōenboku-遊動円木 | soort lange schommel (gemaakt van een boomstam hangend aan kettingen in een rek) |
yuge-湯気 | stoom |
yume-夢 | droom |
yumegatari-夢語り | verslag [vertelling] van een droom |
yumemakura-夢枕 | bij (lett. droom-kussen) in je droom |
yumemi-夢見 | het dromen, het zien [beleven] van een droom |
yumemonogatari-夢物語 | verslag [vertelling] van een droom |
yumeuranai-夢占い | oneiromantie; droomuitlegging; waarzeggerij gebaseerd op dromen |
yumeutsutsu-夢現 | half in slaap [ tussen slapen en wakker] zijn; tussen droom en werkelijkheid |
yūtopia-ユートピア | utopie; droombeeld; hersenschim |
zakuro-石榴 | granaatappelboom [granaatboom] (Punica granatum) |
zametsushōkōgun-挫滅症候群 | (med.) crush-syndroom |
zorozoro-ぞろぞろ | (onomatopee) in grote hoeveelheden; drommen; stroom; menigte; gekrioel (van insecten) |
zūmingu-ズーミング | het zoomen |
zūmu-ズーム | (fotografie) zoom |
zūmu・auto-ズーム・アウト | (fotografie) het uitzoomen |
zūmu・in-ズーム・イン | (fotografie) het inzoomen |
zūmu・renzu-ズーム・レンズ | (fotografie) zoomlens; zoomobjectief |