Kruisverwijzing
onomatopee
lemma | meaning |
---|---|
baa-ばあ | (onomatopee) troostend geluid (voor een kind) |
barabara-ばらばら | (onomatopee) verspreid; uit elkaar; los; in stukken |
basabasa-ばさばさ | (onomatopee) geritsel; ritselend |
batabata-ばたばた | (onomatopee) fladderend; flappend; rammelend; kletterend |
battari-ばったり | (onomatopee) vallend met een doffe klap [met een knal] |
berobero-べろべろ | (onomatopee) gelik; likkend |
berobero-べろべろ | (onomatopee) stomdronken |
betabeta-べたべた | (onomatopee) kleverig; plakkerig |
betabeta-べたべた | (onomatopee) dicht op elkaar |
bikkuri-びっくり | (onomatopee) verbaasd; verbijsterd; geschrokken |
bisshori-びっしょり | (onomatopee) doorweekt |
boroboro-ぼろぼろ | (onomatopee) het vallen van druppels [stukjes]; brokkelig (worden); vergaan [versleten] raken; gerafeld worden |
bosatto-ぼさっと | (onomatopee) afwezig; verstrooid; nietsdoend; nutteloos |
boyaboya-ぼやぼや | (onomatopee) afwezig; verstrooid; nietsdoend; nutteloos |
busubusu-ぶすぶす | (onomatopee) mopperend; tegensputterend; klagend; smeulend |
charin-ちゃりん | (onomatopee) gerinkel; getinkel |
chiyahoya-ちやほや | (onomatopee) ophemelend; ophef makend (over); verwennend |
dabudabu-だぶだぶ | (onomatopee) flodderig; slobberig; afzakkend; los hangend; klotsend |
daradara-だらだら | (onomatopee) druppelend; stromend; slepend |
deredere-でれでれ | (onomatopee) lui [slonzig] zijn |
deredere-でれでれ | (onomatopee) verliefd [amoureus] zijn |
derederesuru-でれでれする | (onomatopee) lui zijn |
derederesuru-でれでれする | (onomatopee) verliefd [amoureus] zijn; flirten; vleien |
dokidoki-どきどき | (onomatopee) kloppend; bonzend |
doshidoshi-どしどし | (onomatopee) rammelend; rommelend; meer en meer; de een na de ander; snel na elkaar; snel opvolgend |
dosudosu-ドスドス | (onomatopee) stampend geluid (b.v. van een heimachine of van de zware voetstappen van een zwaarlijvig persoon of dier) |
doyadoya-どやどや | geluid van vele voetstappen [van een menigte mensen] (onomatopee) |
fūfū-ふうふう | (onomatopee) gepuf; gehijg; gezucht; geblaas |
fūfū-ふうふう | (onomatopee) geworstel; met moeite (iets doen) |
fufufu-ふふふ | (onomatopee) gelach; gegrinnik; hahaha |
fukafuka-ふかふか | (onomatopee) zacht; donzig, pluizig; afwezig; verstrooid; achteloos; onnadenkend |
gabugabu-がぶがぶ | (onomatopee) het geluid van slikken; (op)slokkend; snel [veel] drinkend |
gaburi-がぶり | (onomatopee) met grote happen eten; met grote slokken drinken; alles tegelijk doorslikken [naar binnen werken] |
gachagacha-がちゃがちゃ | (onomatopee) gekletter; gerammel; geratel |
gachagacha-がちゃがちゃ | (onomatopee) verward; rommelig |
gachigachi-がちがち | (onomatopee) klapperend (van tanden); |
gachigachi-がちがち | (onomatopee) stijf; onbuigzaam |
garigari-がりがり | (onomatopee) knarsend; krassend knerpend |
geragera-げらげら | (onomatopee) schaterend; hard lachend |
gikogiko-ギコギコ | (onomatopee) piepend; krakend; zagend |
giongo-擬音語 | onomatopee |
giseigo-擬声語 | een onomatopee (klanknabootsend woord) |
gorogoro-ごろごろ | (onomatopee) gerommel; gedonder; geluid van iets dat hard naar beneden rolt |
gotsugotsu-ごつごつ | (onomatopee) ruw; oneffen; ruig; verweerd; hoekig; stijf |
gotsugotsu-ごつごつ | (onomatopee) geluid van hoesten [bonken] |
gubigubi-ぐびぐび | (onomatopee) klokkend geluid; met grote slokken (alcoholische dranken) drinken |
gūgū-ぐうぐう | (onomatopee) snurkend (zzz-zzz) |
gūgū-ぐうぐう | (onomatopee) grommend; ronkend |
guruguru-ぐるぐる | (onomatopee) draaiend; duizelig |
gussuri-ぐっすり | (onomatopee) diep [vast] slapend |
gyotto-ぎょっと | (onomatopee) geschrokken; geschokt |
gyūgyū-ぎゅうぎゅう | (onomatopee) krakend [piepend] geluid |
gyutto-ぎゅっと | (onomatopee) strak; stevig; krachtig; knijpend |
harahara-はらはら | (onomatopee) neerdwarrelend |
harahara-はらはら | (onomatopee) nerveus; zenuwachtig; gespannen |
hariharinabe-はりはり鍋 | Japanse stoofschotel met (mizuna) groente en vlees (oorspronkelijk walvisvlees) (harihari is een onomatopee voor het geluid van kauwen) |
hihīn-ヒヒーン | (onomatopee) hinnik (van een paard) |
hirahira-ひらひら | (onomatopee) fladderend; dwarrelend; klapperend; flikkerend |
hitahita-ひたひた | (onomatopee) een kabbelend geluid (als van golven) |
hokahoka-ほかほか | (onomatopee) stomend; (lekker) warm |
iraira-いらいら | (onomatopee) nerveus; geïrriteerd |
iraira-苛苛 | (onomatopee) zenuwachtig; ongeduldig; geïrriteerd; geërgerd; gespannen; nerveus |
isoiso-いそいそ | (onomatopee) opgewekt; vrolijk; blij; luchthartig; opgewonden [huppelend] van blijdschap |
jimejime-じめじめ | (onomatopee) benauwd; klam; vochtig |
jimejime-じめじめ | (onomatopee) terneergeslagen; somber; gedeprimeerd; melancholisch |
jirojiro-じろじろ | (onomatopee) starend; nauwkeurig bekijkend |
karikari-カリカリ | (onomatopee) krokant; knapperig |
kasakasa-かさかさ | (onomatopee) ritselend (geluid) |
kasakasa-かさかさ | (onomatopee) droog; uitgedroogd |
katakata-かたかた | (onomatopee) gekletter; geratel; ratelend |
kirakira-きらきら | (onomatopee) flikkerend; flonkerend |
kokekokkō-コケコッコー | (onomatopee) kukeleku (het kraaien van een haan) |
konmori-こんもり | (onomatopee) dicht (op elkaar) |
konmori-こんもり | (onomatopee) opgehoopt; opgestapeld |
korokoro-ころころ | (onomatopee) rollend; klaterend (geluid) |
kosokoso-こそこそ | (onomatopee) stiekem; fluisterend; steels |
kotokoto-ことこと | (onomatopee) zacht rinkelend; kletterend; kloppend; pruttelend; sudderend |
kurukuru-くるくる | (onomatopee) in de rondte; alsmaar ronddraaiend; wervelend |
kusukusu-くすくす | (onomatopee) giechelend |
kutakuta-くたくた | (onomatopee) uitgeput; op; doodmoe; dodelijk vermoeid |
kutakuta-くたくた | (onomatopee) tot op de draad verleten |
kutakuta-くたくた | (onomatopee) zacht; papperig; (tot) moes |
kuyokuyo-くよくよ | (onomatopee) zich druk makend; bezorgd; piekerend (over) |
kyutto-きゅっと | (onomatopee) strak [stevig] (binden, knijpen, drukken, wrijven, etc.) |
kyutto-きゅっと | (onomatopee) (sake, etc.) in grote slokken [in één teug] (drinken) |
majimaji-まじまじ | (onomatopee) starend; (met de ogen); zonder te knipperen |
mesomeso-めそめそ | (onomatopee) snikkend; huilend; jammerend; jankend |
mogumogu-もぐもぐ | (onomatopee) mompelend; kauwend; knabbelend; kronkelend |
mogumogusuru-もぐもぐする | (onomatopee) mompelen; kauwen; knabbelen; kronkelen |
mojimoji-もじもじ | (onomatopee) terughoudend; aarzelend; friemelend; rusteloos |
mōmō-モーモー | (onomatopee) boe-boe (het loeien van een koe) |
mukamuka-むかむか | (onomatopee) misselijk; beroerd; geïrriteerd |
mukumuku-むくむく | (onomatopee) dik; ruig; wollig |
mukumuku-むくむく | (onomatopee) opstijgend; golvend; kokend |
mukumuku-むくむく | (onomatopee) opkomend; opwellend (van gedachten, etc.) |
mushimushi-むしむし | (onomatopee) benauwd; drukkend (weer) |
nechinechi-ねちねち | (onomatopee) plakkerig; klevend |
nechinechi-ねちねち | (onomatopee) drammerig; zeurend |
nettori-ねっとり | (onomatopee) stroperig; kleverig; plakkerig |
nikoniko-にこにこ | (onomatopee) grinnikend; glimlachend |
norakura-のらくら | (onomatopee) langzaam en ontspannen; lekker rustig; nietsdoend |
norarikurari- のらりくらり | (onomatopee) lui; doelloos; vaag, ontwijkend |
noronoro-のろのろ | (onomatopee) langzaam; sloom; slepend |
nuranura-ぬらぬら | (onomatopee) glibberig; slijmerig; glad |
nuranura-ぬらぬら | (onomatopee) langzaam bewegend [voortglijdend] |
nyannyan-ニャンニャン | (onomatopee) miauw-miauw |
nyanya-ニャニャ | (onomatopee) miauw-miauw |
nyokinyoki-にょきにょき | (onomatopee) het plotseling (de een na de ander) opkomen [ontstaan; ontspruiten]; oprijzen; omhoog groeien] |
nyoronyoro-にょろにょろ | (onomatopee) glibberend; kronkelend; glijdend |
onomatope-オノマトペ | onomatopee (klanknabootsend woord) |
pakupaku-ぱくぱく | (onomatopee) herhaaldelijk openend en sluitend (van de mond); naar lucht happend |
pakupaku-ぱくぱく | (onomatopee) verorberend; naar hartelust etend; opslokkend; verslindend; |
panpan-ぱんぱん | (onomatopee) pang pang; geluid van geknal [schoten; vuurwerk, etc.) |
panpan-ぱんぱん | (onomatopee) barstensvol; opgezwollen |
parapara-ぱらぱら | (onomatopee) in kleine hoeveelheden (druppels, e.d.) naar beneden vallend (het geluid daarbij): gedruppel; gekletter |
parapara-ぱらぱら | (onomatopee) doorbladerend; geblader; geritsel (van papier) |
parapara-ぱらぱら | (onomatopee) (her en der) verspreid zijn [liggen] |
parapara-ぱらぱら | (onomatopee) schaars; verspreid; (van iemands haar) piekerig; in losse plukken geknipt |
pechanko-ぺちゃんこ | (onomatopee) plat geslagen [gedrukt; geperst] |
pekopeko-ぺこぺこ | (onomatopee) herhaaldelijk buigend |
pekopeko-ぺこぺこ | (onomatopee) (in)gedeukt |
pekopeko-ぺこぺこ | (onomatopee) hongerig; uitgehongerd |
perapera-ぺらぺら | (onomatopee) vloeiend (een taal spreken); veel [snel] pratend; welbespraakt |
pikapika-ぴかぴか | (onomatopee) glinsterend; glitterend |
pinpin-ぴんぴん | (onomatopee) levendig; bruisend; energiek; krachtig; springerig |
piripiri-ぴりぴり | (onomatopee) prikkelend; stekend; brandend; scherp |
piripiri-ぴりぴり | (onomatopee) scheurend (geluid) |
piripiri-ぴりぴり | (onomatopee) fluitend (geluid) |
piripiri-ぴりぴり | (onomatopee) nerveus; zenuwachtig; gespannen |
pochapocha-ぽちゃぽちゃ | (onomatopee) het geluid van opspattend water |
poppoya-鉄道員 | (in dialect, onomatopee: tjoeketjoeke, voor) spoorwegman |
pororito-ぽろりと | (onomatopee) geluid van het vallen van een druppel [traan] |
pororito-ぽろりと | (onomatopee) geluid van iets dat uit de handen glijdt |
potapota-ぽたぽた | (onomatopee) druppelend; druppel na druppel vallend |
potarito-ぽたりと | (onomatopee) (geluid van) gedruppel; druppelend; druipend |
punpun-ぷんぷん | (onomatopee) sterk ruikend; een scherpe lucht hebbend |
punpun-ぷんぷん | (onomatopee) geagiteerd; woedend; verontwaardigd |
pūpū-ブーブー | (onomatopee) knor-knor (geluid van een varken) |
pyonpyon-ぴょんぴょん | (onomatopee voor) het (op-en-neer) springen; huppelen |
pyūpyū-ぴゅうぴゅう | (onomatopee) scherp [schril] [hoog] fluitend geluid van wind of projectielen |
sakusaku-サクサク | (onomatopee) knapperig; krokant; knisperend |
sarisari-さりさり | (onomatopee) knisperend; ritselend; krassend; schrapend |
sayasaya-さやさや | (onomatopee) zacht geruis; een ruisend geluid |
shakishaki-しゃきしゃき | (onomatopee) knisperend; knapperig (van verse groenten) |
shakitto-しゃきっと | (onomatopee) knisperend; krokant; knapperig |
shakitto-しゃきっと | (onomatopee) verfrissend; zuiver; netjes; stijlvol |
suisui-すいすい | (onomatopee) licht; soepel; glijdend; gladjes; vlot |
sunnari-すんなり | (onomatopee) dun; slank; lenig; soepel |
sunnari-すんなり | (onomatopee) probleemloos; gemakkelijk; vlot; gladjes |
sutasuta-すたすた | (onomatopee) met vlotte pas lopend |
tekateka-てかてか | (onomatopee) glimmend; glinsterend; glanzend |
tokkuri-とっくり | (onomatopee) zorgvuldig; grondig |
tokoton-とことん | (onomatopee) tot het (bittere) einde; tot het uiterste; ten volle; grondig |
tsubekobe-つべこべ | (onomatopee) zeurend; klagend; vittend |
tsukatsuka-つかつか | (onomatopee) gedecideerd; zonder aarzeling |
tsuketsuke-つけつけ | (onomatopee) streng; hardvochtig; scherp (van toon) |
tsuntsun-つんつん | (onomatopee) trots; hooghartig; afstandelijk; onaangenaam; onvriendelijk |
tsuntsun-つんつん | (onomatopee) puntig; scherp; spits |
tsuntsun-つんつん | (onomatopee) stinkend; met sterke geur |
tsurutsuru-つるつる | (onomatopee) glad; zacht; glibberig; vettig; slurpend |
ujiuji-うじうじ | (onomatopee) aarzelend; besluiteloos |
ukauka-うかうか | (onomatopee) onzorgvuldig; nonchalant |
ukkari-うっかり | (onomatopee) vergeetachtig; afwezig; gedachtenloos; onbewust; ongemerkt |
unzari-うんざり | (onomatopee) vervelend; walgelijk; afschuwelijk |
unzarisuru-うんざりする | (onomatopee) ziek [moe] worden van; het zat zijn; tegenstaan; een aversie hebben tegen; tegen de borst stuiten; vervelen |
urochoro-うろちょろ | (onomatopee) rondhangend; dralend; treuzelend |
urochorosuru-うろちょろする | (onomatopee) rondhangen; dralen; treuzelen |
urouro-うろうろ | (onomatopee) rondhangend; rondslenterend |
utouto-うとうと | (onomatopee) slaperig; soezerig |
utoutosuru-うとうとする | (onomatopee) (weg) dutten; soezen; (in) dommelen; een hazenslaapje doen; sluimeren |
uttori-うっとり | (onomatopee) opgetogen; extatisch; in vervoering |
uzuuzu-うずうず | (onomatopee) popelend; jeukend |
uzuuzusuru-うずうずする | (onomatopee) staan te popelen; ongeduldig wachten; je handen jeuken |
waiwai-わいわい | (onomatopee) lawaai(eri)g; luidruchtig |
wakuwaku-わくわく | (onomatopee) nerveus [opgewonden] (over); trillend |
wanwan-わんわん | (onomatopee) woef-woef (het blaffen van een hond) |
yakimoki-やきもき | (onomatopee) angstig; ongeduldig; bezorgd |
yoreyore-よれよれ | (onomatopee) versleten; kaal; armoedig |
yotayota-よたよた | (onomatopee) struikelend; wankelend |
yukkuri-ゆっくり | (onomatopee) langzaam (aan); rustig; op zijn gemak |
yurayura-ゆらゆら | (onomatopee) schommelend; slingerend; zwaaiend; wankelend |
yusayusa-ゆさゆさ | (onomatopee) schommelend; zwaaiend; wankelend |
zakkuri-ざっくり | (onomatopee) ruw; ongeveer |
zakuzaku-ざくざく | (onomatopee) krakend geluid (zoals bij lopen op ijzige sneeuw) |
zarazara-ざらざら | (onomatopee) ruw; korrelig |
zarazara-ざらざら | (onomatopee) gerammel |
zarazarashita-ざらざらした | (onomatopee) grof; ruw; korrelig; scherp |
zatto-ざっと | (onomatopee) ongeveer; ruwweg; min of meer |
zawameku-ざわめく | (onomatopee) luidruchtig [lawaaierig] zijn; commotie veroorzaken; ritselen (van bladeren) |
zawatsuku-ざわつく | (onomatopee) luidruchtig [lawaaierig; onrustig] zijn; ritselen (van bladeren); rillen |
zawazawa-ざわざわ | (onomatopee) luidruchtig; lawaaierig; onrustig; geritsel (van bladeren); rillerig |
zawazawasuru-ざわざわする | (onomatopee) luidruchtig [lawaaierig] zijn; commotie veroorzaken; ritselen (van bladeren); rillen; bibberen |
zāzā-ざーざー | (onomatopee) (het geluid van) gekletter van harde regen |
zokuzoku-ぞくぞく | (onomatopee) rillend; bevend; bibberend |
zokuzokusuru-ぞくぞくする | (onomatopee) rillen; beven; bibberen |
zorozoro-ぞろぞろ | (onomatopee) in grote hoeveelheden; drommen; stroom; menigte; gekrioel (van insecten) |
zotto-ぞっと | (onomatopee) rillend; trillend; bevend; angstig |
zubari-ずばり | (onomatopee) ferm; flink; vastberaden |
zubazuba-ずばずば | (onomatopee) uitgesproken; eerlijk; recht op de man af |
zukazuka-ずかずか | (onomatopee) direct (zonder plichtplegingen); bot; grof |
zukezuke-ずけずけ | (onomatopee) openhartig; (onaangenaam) oprecht; onverbloemd; er geen doekjes om winden |
zukizuki-ずきずき | (onomatopee) kloppend (pijn); hartenpijn; pijn van een gebroken hart |
zukī・zukiri・zukin-ずきっ・ずきり・ずきん | (onomatopee) scherpe [heftige; stekende; kloppende] pijn |
zunguri-ずんぐり | (onomatopee) (kort en) dik; gedrongen; gezet; mollig |
zuruzuru-ずるずる | (onomatopee) slepend; glijdend; glibberend; slurpend |
zushiri-ずしり | (onomatopee) zwaar; hard (aankomen) |
zusshiri-ずっしり | (onomatopee) zwaar; hard (aankomen) |