naam / naam ( de (m) | znw | namen )
1まえ [naam]
Hoe heet je?
お名前は?
Uw naam, alstublieft?
お名前は何とおっしゃいますか。
voornaam
下の名前
achternaam; familienaam
上の名前
2; 評判ひょうばん [naam; titel; reputatie; bekendheid]
Wat is de naam van deze bloem?
この花の名は?
roepnaam
呼び名
een persoon bij naam noemen
人の名をあげる
in naam van
の名において; の名に懸けて
(iem.) een slechte naam geven
に悪い評判を与える
3名称めいしょう [naam; titel; benaming]
een technische naam
専門的な名称
4めい [familienaam; familie-eer]
5みょう (名字) [Japanse familienaam]
voornaam en achternaam
名前と苗字
6めい; 姓名せいめい [volledige (voor- en achter)naam; identiteit]

Spreekwoord(en)/gezegde(s)
Het beestje bij zijn naam noemen.
動物を名指す (単刀直入に話す)