Kruisverwijzing
lijm
lemma | meaning |
---|---|
bettari-べったり | geplakt; uitgesmeerd; gelijmd; gekleefd |
bien-鼻炎 | rinitis; neusslijmvliesontsteking |
chōen-腸炎 | enteritis; darm(slijmvlies)ontsteking |
dōsa-礬水 | (voor papier) planeerwater (lijmwater met aluin) |
doya-どや | (jargon, inversie van やど) logement; luizig hotel; lijmkit |
ekitaibansōkō-液体絆創膏 | lijmpleister; plakpleister |
funori-布海苔 | textiellijm gemaakt van funori (rode alg) |
gaida-咳唾 | hoest en slijm [sputum]; het schrapen van de keel |
gomasuri-胡麻擂り | vleier; hielenlikker; slijmerd |
hagiawaseru-接ぎ合わせる | (stukken) verbinden; aan elkaar zetten [naaien; lijmen] |
hanajiru-鼻汁 | snot; neusslijm |
igisu-海髪 | zeehaar (dunne rode zeewier, gebruikt in agar en lijm) |
ikataru-胃カタル | maagcatarre; gastritis; ontsteking van het maagslijmvlies |
inenmaku-胃粘膜 | maagslijmvlies |
kakutan-喀痰 | sputum; slijm; fluim; spuwsel |
kataru-カタル | catarre (slijmvliesontsteking) |
kettan-血痰 | bloedsputum; bloederig slijm; bloedspuwing |
kigami-生紙 | ongelijmd [ongegomd] papier |
kimekomi-木目込み | techniek om traditionele Japanse houten poppen te maken (waarbij in smalle groeven stof wordt gelijmd om de pop aan te kleden) |
kimekominingyō-木目込み人形 | traditionele Japanse houten pop (gemaakt met een techniek waarbij in smalle groeven stof wordt gelijmd om de pop aan te kleden) |
kobi-媚 | gevlei; geslijm; flirt |
kobiru-媚びる | vleien; stroopsmeren; slijmen; flirten |
kōnaien-口内炎 | stomatitis; mondslijmvliesontsteking; aft(e) |
korāju-コラージュ | het vastplakken; opplakken; lijmen |
mochi-黐 | vogellijm (rubberachtige substantie verkregen uit boomschors, die werd gebruikt om kleine vogels mee te vangen) |
nenchakusuru-粘着する | vastplakken; vastlijmen; aanhechten |
nenmaku-粘膜 | slijmvlies |
nenmakuen-粘膜炎 | slijmvliesontsteking; mucositis |
nen'eki-粘液 | slijm; mucus; sputum |
nibe-鰾膠 | lijm |
nori-糊 | lijm; plakmiddel; kleefstof; stijfsel |
noribiki-糊引き | lijmkam |
norizuke-糊付け | het plakken [lijmen]; het stijven (van kleding) |
numenume-ぬめぬめ | slijmerig [glad; glanzend] zijn |
numeri-滑り | slijm; slijmerigheid |
nurakura-ぬらくら | glad; glibberig; week; slijmerig |
nurakurasuru-ぬらくらする | glad [slijmerig] zijn; ontwijkend zijn; lui [gemakzuchtig] zijn |
nuranura-ぬらぬら | (onomatopee) glibberig; slijmerig; glad |
nuratsuku-ぬらつく | glibberig [slijmerig] zijn |
nurunuru-ぬるぬる | slijmerig; glad; glibberig |
nurunurusuru-ぬるぬるする | slijmerig [glad; glibberig] worden |
otaiko-お太鼓 | vleier; pluimstrijker; strooplikker; slijmbal |
papiekore-パピエコレ | papier collé; collage (van stukken papier op een ondergrond gelijmd) |
rōwa-朗話 | een vrolijk [blijmoedig] verhaal |
setchakuzai-接着剤 | lijm; kleefstof; hechtmiddel; plakmiddel |
shunkansetchakuzai-瞬間接着剤 | secondelijm |
taikomochi-太鼓持ち | vleier; slijmbal; slijmerd |
torimochi-鳥黐 | vogellijm (rubberachtige substantie verkregen uit boomschors, die werd gebruikt om kleine vogels mee te vangen) |
yorokonde-喜んで | met plezier; bereidwillig; blijmoedig; graag |