asupīte-アスピーテ | aspit; schildvulkaan |
fowādo-フォワード | (sport) spits; voorspeler; aanvaller |
gikkurigoshi-ぎっくり腰 | spit; lumbago (acute scherpe pijn in de onderrug) |
hokosaki-矛先 | (fig.) speerpunt; voorste legerspits |
horiokosu-掘り起こす | opgraven; uitspitten; omspitten |
horisageru-掘り下げる | diep graven [spitten]; delven |
hosupitarizumu-ホスピタリズム | hospitalisme (ziekte ontstaan door verblijf in ziekenhuis) |
karukuchi-軽口 | scherts; grapje; grappige opmerking; spitsvondigheid |
kisai-機才 | gevatheid; spitsvondigheid; vlugheid van begrip |
madamu-マダム | eigenaresse; hospita; directrice; gastvrouw in een bar |
rasshuawā-ラッシュアワー | spitsuur |
saizensen-最前線 | voorgrond; frontline; voorhoede; spits |
sakibosori-先細り | spits [smal] uitlopend [toelopend] |
sentan-先端 | voorhoede; spits; voorloper; pionier |
sentō-尖塔 | torenspits; minaret |
shirisubomari-尻窄まり | het (van breed naar smal) uitlopen; spits toelopen |
supittsu-スピッツ | Spitz, Japanse rock band |
supittsu-スピッツ | (Japanse) Spits (hondenras; Duits: Spitz) |
sutoraikā-ストライカー | (sport) aanvaller; spits; slagman |
suvārubarushotō-スヴァールバル諸島 | Spitsbergen |
tatejōkazan-楯状火山 | aspit; schildvulkaan |
tō-塔 | toren; torenspits; pagode |
tsuma-妻 | gevelwand; gevelspits; dakgevel |
tsuntsun-つんつん | (onomatopee) puntig; scherp; spits |
uitto-ウイット | scherpzinnigheid; geestigheid; gevatheid; vernuft; spitsvondigheid |
uneriguji-うねり串 | een draaispit [pin] om vis te roosteren |
unerigushi-うねり串 | een draaispit [pin] om vis te roosteren |
yadonushi-宿主 | waard; herbergier; (hotel)eigenaar; hospita; gastheer |
yakigushi-焼き串 | vleespin; spies; spit |
yōtsū-腰痛 | lagerugpijn; spit; lumbago |
yukibara-雪腹 | (door kou tijdens sneeuwval) lumbago; spit |