Kruisverwijzing
zwak
lemma | meaning |
---|---|
an-暗 | onwetendheid; achterlijkheid; zwakzinnigheid; domheid |
angu-暗愚 | het redeloos zijn; achterlijkheid; zwakzinnigheid; imbeciliteit |
awai-淡い | licht; zwak; bleek; vaag; flauw; flets |
bijaku-微弱 | zwak [krachteloos] zijn |
bijakudenpa-微弱電波 | zwakke radiogolven; zwakke transmissie van signalen |
bijakudenryū-微弱電流 | zwakstroom |
byō-病 | (in kanji combinaties) ziekte; aandoening; kwaal; zwakte; slechte gewoonte |
chitekishōgai-知的障害 | zwakbegaafdheid; geestelijk gebrek |
dajaku-惰弱 | zwak [slap; apathisch; lusteloos; loom] zijn |
daun-ダウン | onderuitgegaan [ingestort] (door uitputting, zwakte of ziekte) |
dekuresshendo-デクレッシェンド | (muziekterm) decrescendo (zwakker wordende toon) |
en'yasu-円安 | waardevermindering van de yen; een zwakke yen |
fuete-不得手 | zwak punt; zwakte; onhandigheid |
futokui-不得意 | iemands zwakke punt; slecht zijn in bepaalde vaardigheden |
fuyubi-冬日 | de winterzon; het [zwakke] zonlicht in de winter |
gensui-減衰 | (geleidelijke) afname; demping; afzwakking |
gensuiki-減衰器 | elektrische [elektronische] attenuator [verzwakker] (apparaat dat het vermogen van een signaal vermindert) |
hakushijakkō-薄志弱行 | een zwak karakter; besluiteloosheid; gebrek aan wil [ondernemersgeest] |
hiyowa-ひ弱 | zwakte; fragiliteit; broosheid |
hiyowai-ひ弱い | zwak; broos; teer; ziekelijk |
honoka-仄か | vaag; onduidelijk; zwak |
inpeamento-インペアメント | beperking; handicap; verzwakking |
itaranaiten-至らない点 | zwak punt; tekortkoming; gebrek; onvolmaaktheid (als uitdrukking ook gebruikt bij begroeting of verontschuldiging) |
itaranuten-至らぬ点 | zwak punt; tekortkoming; gebrek; onvolmaaktheid (als uitdrukking ook gebruikt bij begroeting of verontschuldiging) |
itchōittan-一長一短 | voor- en nadelen; sterke en zwakke punten; de voors en tegens van iets |
jakka-弱化 | verzwakking |
jakkasuru-弱化する | verzwakken |
jakkoku-弱国 | een zwakke natie; een land met weinig macht [kracht] |
jakuden-弱電 | zwakstroom (elektrische stroom met lage spanning) |
jakuon-弱音 | zacht [zwak] geluid |
jakushō-弱小 | zwak zijn; weinig kracht hebben |
jakushōtsūka-弱小通貨 | zwakke valuta |
jakutai-弱体 | zwak zijn |
jakutaika-弱体化 | verzwakking |
jakutaikasuru-弱体化する | verzwakken; zwak worden |
jakuteki-弱敵 | een zwakke vijand [tegenstander; opponent] |
jakuten-弱点 | zwak punt; zwakke plek; tekortkoming |
kasokeshi-幽けし | (arch.) vaag; zwak; bleek; onduidelijk |
kayubara-粥腹 | het (zwakke) gevoel in de maag na het eten van (rijst)pap (i.p.v. stevig voedsel) |
kieiru-消え入る | zich zwakker voelen (vanwege schaamte, pijn, e.d.) |
kihaku-希薄 | zwak [verdund; verwaterd; flauw; gering] zijn |
kimon-鬼門 | zwakheid; zwak punt; gebrek |
kyōjaku-強弱 | sterk en zwak; sterkte en zwakte |
menami-女波 | kleine [zwakke] golf |
meromero-めろめろ | een zacht ei(tje); een slappeling; een zwak hebben voor iemand |
nakadarumi-中弛み | (tijdelijke) inzinking; verzwakking; verslapping; vertraging |
nakidokoro-泣き所 | zwakke plek; zwakke eigenschap, achilleshiel |
namaru-鈍る | verzwakken; zwakker worden |
nankuse-難癖 | fout; gebrek; defect; zwakke plek |
natsumake-夏負け | lichaamszwakte [ziek] door zomerhitte |
natsuyase-夏瘦せ | gewichtsverlies (en daarmee verzwakking van de lichaamskracht) door zomerse hitte |
niburu-鈍る | minder goed worden; verzwakken; wankelen |
nigate-苦手 | zwakte; zwak punt; onhandigheid; onkundigheid |
nōtan-濃淡 | sterk en zwak (van kleur, aroma, geur, e.d.); gradatie; nuance |
okubyō-臆病 | lafheid; bangheid; zwakheid |
oroka-愚か | dom; stom; zwakzinnig |
otokodate-男伊達 | het opkomen [strijden] voor de zwakkeren (in de samenleving) |
otokodate-男伊達 | iemand die opkomt [strijdt] voor de zwakkeren (in de samenleving) |
reppai-劣敗 | het verlies [verslagen worden] van een zwakkere (door een sterkere) |
rōjaku-老弱 | lichamelijke zwakheid op oudere leeftijd; ouderdomsklachten |
seishinsuijaku-精神衰弱 | psychasthenie; zielszwakte |
sekkō-拙攻 | slecht opgezette [voorbereidde] aanval; zwak offensief (bij sportwedstrijden) |
shakaikōgaku-社会工学 | social engineering (het met technische middelen misbruik maken van menselijke zwakheden door criminelen) |
shinkeisuijaku-神経衰弱 | zenuwinzinking; zenuwzwakte; neurasthenie |
shirisubomari-尻窄まり | (geleidelijke) verzwakking; achteruitgang; uitdoving; vermindering |
shoboshobo-しょぼしょぼ | zwak (van lichaam of geest) |
shōkō-消光 | verzwakking; uitdoving |
shōteki-小敵 | kleine [onbeduidende] vijand; zwakke tegenstander |
sōsharu・enjiniaringu-ソーシャル・エンジニアリング | social engineering (het met technische middelen misbruik maken van menselijke zwakheden door criminelen) |
sui-衰 | (in kanji combinaties) verzwakking; achteruitgang; verval |
suijaku-衰弱 | zwakte; uitputting; uitmergeling; wegtering |
tabyō-多病 | ziekelijkheid; zwakke [kwetsbare] gezondheid |
taedae-絶え絶え | zwak; krachteloos; fragiel |
tansho-短所 | zwakheid; tekortkoming; gebrek; zwak punt; nadeel |
tayumu-弛む | verzwakken; afzakken; minder worden |
uīku-ウイーク | zwak |
uīkupointo-ウイークポイント | zwak punt; zwakke plek; tekortkoming |
uranari-末生り | metafoor voor (een zwak) iemand met een bleek gezicht |
usuakari-薄明かり | zwak licht; schemering |
usubi-薄日 | zwak (zon)licht; een waterig zonnetje |
usumeru-薄める | verzachten; afzwakken |
wakudeki-惑溺 | verslaving; een zwak hebben (voor) |
warui-悪い | slecht; verkeerd; onjuist; fout; inferieur; zwak |
yamai-病 | slechte gewoonte; zwakte |
yowagoshi-弱腰 | zwakheid; lafheid; passieve [laffe] houding |
yowai-弱い | zwak; onbeholpen; hulpeloos |
yowaki-弱気 | zwakheid; bedeesdheid; lafheid |
yowami-弱み | zwakte; zwakke plek; tekortkoming |
yowamushi-弱虫 | lafaard; bangerik; zwakkeling; slappeling; watje |
yowane-弱音 | zacht [zwak] geklaag; gejammer |
yowarime-弱り目 | [moment] tijd van zwakte; verzwakte toestand |
yowasa-弱さ | zwakte; kwetsbaarheid |
yowayowashii-弱弱しい | zwak; kwetsbaar; broos |
zeijaku-脆弱 | zwakheid; breekbaarheid; broosheid |