chōjō-頂上 | bergtop; piek |
ginrei-銀嶺 | een besneeuwde bergtop (die zilverwit glanst) |
kōhō-高峰 | bergtop; piek |
kumonomine-雲の峰 | hoge wolken (als een bergtop) in de zomer |
pīku-ピーク | bergtop; piek |
raigō-来迎 | aanschouwing van een zonsopgang op een bergtop (wordt vergeleken met Amitabha Boeddha die op bezoek komt met een aureool) |
sanchō-山頂 | bergtop; de top van een berg |
sanrei-山嶺 | bergtop; bergpiek; bergkam; bergrug |
santen-山巓 | bergtop |
setsurei-雪嶺 | besneeuwde bergtop |
takane-高嶺 | hoge bergtop [piek] |
takanenohana-高嶺の花 | (lett. een bloem op een hoge bergtop) iets dat buiten je bereik is; iets waar je naar verlangt maar niet kunt bereiken |
tōchō-登頂 | beklimming tot aan de bergtop; het bereiken van de top |
tōge-峠 | bergpas; bergtop; bergkam |
yamajiro-山城 | kasteel op een bergtop [berghelling]; bergvesting |