Kruisverwijzing
wind
lemma | meaning |
---|---|
aburaderi-油照り | drukkend [zwoel; benauwd] zomerweer (zonder een zuchtje wind) |
agensuto-アゲンスト | tegenwind |
aguribijinesu-アグリビジネス | landbouwindustrie |
aji-アジ | agitatie; opwinding |
ajitēshon-アジテーション | agitatie; opwinding |
akikaze-秋風 | herfstwind |
akufū-悪風 | een storm; zeer harde wind |
amekaze-雨風 | slagregen; striemende regen; regen en wind |
anorakku-アノラック | anorak, winddicht jack met capuchon (zonder voorsluiting) |
aoarashi-青嵐 | frisse zomerwind (die waait door groen gebladerte) |
aori-煽り | windvlaag; windstoot |
aoru-煽る | flappen (in de wind); schokken |
asagao-朝顔 | dagbloem; blauwe winde (Japanse Morning Glory; Ipomoea nil) |
asakaze-朝風 | ochtendbries; ochtendwind |
ateru-当てる | (iets) blootstellen aan (zon, regen, wind, e.d.) |
baindā-バインダー | band; windsel |
bifū-微風 | lichte wind; zacht briesje |
bōdosēringu-ボードセーリング | het plankzeilen; windsurfen |
bōekifū-貿易風 | passaat; passaatwind |
bōfū-暴風 | stormachtige [harde] wind; storm |
bōfū-防風 | wind beschutting; windscherm; bescherming tegen de wind [tocht] |
boruzoi-ボルゾイ | borzoi; barzoi (Russisch windhondenras) |
byūbyū-びゅうびゅう | (geluid van) loeiende wind, e.d. |
byūfōdofūryokukaikyū-ビューフォート風力階級 | de schaal van Beaufort (voor het meten van windsterkte) |
dokusaishihai-独裁支配 | autocratisch regime [bewind] |
ekisaitingu-エキサイティング | spannend; opwindend |
fēn-フェーン | föhn; valwind |
fēngenshō-フェーン現象 | föhnwind (fenomeen) |
fībā-フィーバー | opwinding; enthousiasme |
fūatsu-風圧 | winddruk |
fūbaika-風媒花 | windbloemige plant (plant waarbij het stuifmeel door de wind wordt overgebracht) |
fūbō-風防 | windbescherming; windscherm |
fubōgarasu-風防ガラス | windscherm (van glas) |
fūchō-風潮 | getijdenstroom (veroorzaakt door de wind) |
fūgai-風害 | windschade; stormschade |
fūgetsu-風月 | (heldere) maan en (koele) wind [bries]; de schoonheid van de natuur |
fūha-風波 | wind en golven |
fujinami-藤波 | de golfbeweging van de wisteria bloemtrossen (in de wind) |
fūju-風樹 | een boom die ruist in de wind |
fukiareru-吹き荒れる | stormen; razen; gieren (wind, storm) |
fukimawashi-吹き回し | windrichting |
fukinagashi-吹き流し | wimpel; vaantje; windzak (bij vliegveld) |
fukisarashi-吹き曝し | blootgesteld aan [geteisterd door] de wind |
fukiyamu-吹き止む | stoppen met waaien; afnemen [gaan liggen] van de wind |
fūkō-風向 | windrichting |
fūkōkei-風向計 | windvaan; anemoscoop |
fūrin-風鈴 | windgong; windklokje |
fūryoku-風力 | windkracht |
fūryokuhatsuden-風力発電 | opwekking van windenergie |
fūryokuhatsudenjo-風力発電所 | windturbine |
fūryokukei-風力計 | windmeter; windsnelheidsmeter |
fūsetsu-風雪 | wind en sneeuw; sneeuwstorm |
fūsha-風車 | windmolen |
fūsoku-風速 | windsnelheid |
fūsokukei-風速計 | windmeter; windsnelheidsmeter; anemometer |
fūsui-風水 | wind en water |
fūsuigai-風水害 | wind- en waterschade; storm- en overstromingsschade |
fūtō-風濤 | wind en golven |
fūu-風雨 | wind en regen |
fūu-風雨 | een hevige regenbui met veel wind; regenstorm |
gekkō-激昂 | opvliegendheid; razernij; grote opwinding |
gojūnotō-五重の塔 | (boeddhistische) pagode met vijf daklagen (symboliserend de vijf elementen: aarde, water, vuur, wind en lucht) |
gufū-颶風 | zware storm; storm(wind); orkaan |
gyakufū-逆風 | tegenwind (ook fig.); ongunstige wind |
gyakusō-逆走 | het tegen de wind ingaan; (fig.) tegen de trend [verwachting] ingaan |
gyou-御宇 | het keizerlijk bewind; de heerschappij van de keizer |
hae-南風 | zuidenwind; zuidelijke wind (met name in west-Japan) |
hakaze-羽風 | bries [wind] veroorzaakt door het flapperen van vleugels |
hakaze-葉風 | wind die door bladeren ritselt |
hanafubuki-花吹雪 | bloemblaadjes die door de wind (geblazen) dwarrelen in de lucht (als sneeuw) |
hansen-帆船 | zeilboot; zeilschip; windjammer |
happō-八方 | alle (wind)richtingen; alle kanten [hoeken] |
haruhayate-春疾風 | zware lentestorm; krachtige lentewind |
haruichiban-春一番 | de eerste lentestorm; krachtige zuidenwind in het begin van de lente |
harukaze-春風 | lentewind; lentebries |
hatahata-はたはた | (geluid van) geklapper [geflapper] (in de wind) |
he-屁 | een scheet; wind(je) |
henseifū-偏西風 | de (heersende) westenwinden |
higashikaze-東風 | oostenwind; lentewind |
higashikaze-東風 | lentewind |
hitorizumō-一人相撲 | (zinloos) gevecht zonder tegenstander; gevecht tegen windmolens |
hobune-帆船 | zeilschip; zeilboot; windjammer |
hōhi-放屁 | darmgas; windje; scheet |
hokufū-北風 | noordenwind |
jippō-十方 | de tien (wind)richtingen; overal |
junpū-順風 | gunstige wind; wind die uit de juiste richting komt; wind mee; wind in de rug |
junpūmanpan-順風満帆 | alles verloopt gladjes; alles loopt op rolletjes; het gaat voor de wind |
jutakunin-受託人 | gevolmachtigde; bewindvoerder; trustee |
jutakusha-受託者 | gevolmachtigde; bewindvoerder; trustee |
kai-回 | gyrus; kronkeling [winding] (in hersenen) |
kaifū-海風 | zeewind |
kamikaze-神風 | goddelijke wind [storm]; wind gestuurd door goddelijk ingrijpen |
kamikaze-神風 | de wind die volgens overlevering de Mongoolse inval stopte (13de eeuw) |
kandō-感動 | ontroering; opwinding; sensatie; emotie |
kanpū-寒風 | een koude wind |
karakuriningyō-絡繰り人形 | marionet; opwind pop |
kasō-家相 | de (gunstige of ongunstige) ligging, windrichting, plattegrond, etc. van een huis (in verband gebracht met geluk of pech) |
kataho-片帆 | een verkleind [gereefd] zeil (bij harde wind e.d.) |
kataho-片帆 | het kantelen van het zeil, bij het varen met zijwind |
kazabana-風花 | (in de wind) warrelende sneeuwvlokken |
kazakiri-風切り | windvaan |
kazami-風見 | windvaan |
kazamidori-風見鶏 | windhaan; weerhaan |
kazamidori-風見鶏 | opportunist; draaier; iemand die met alle winden meewaait |
kazamuki-風向き | windrichting |
kazaore-風折れ | door de wind geveld [afgebroken] (van bomen e.d.) |
kazashio-風潮 | getijde waarbij het waterpeil van de zee stijgt als gevolg van harde wind vanuit de zee richting het land |
kazayoke-風除け | windscherm; beschutting tegen de wind |
kaze-風 | wind |
kazeatari-風当たり | blootstellen aan de wind |
kazehikaru-風光る | de wind waait op een zonnige lentedag |
keiryaku-経略 | regeren [heersen] over de wereld (in alle vier windrichtingen) |
kenkon-乾坤 | (windrichtingen) noordwesten en zuidwesten |
ki-機 | marionet; opwind pop |
kimon-鬼門 | poort [ingang, uitgang] voor een boze geest (in ongunstige windrichting, het noordoosten) |
kinchōsuru-緊張する | gespannen [nerveus] worden; zich opwinden |
kitakaze-北風 | noordenwind |
kochi-東風 | oostelijke wind; oostenwind |
kochi-東風 | lentewind |
kōfun-興奮 | opwinding; opgewondenheid; opschudding; opleving |
kogarashi-木枯らし | koude wind (aan het einde van de herfst tot begin van de winter) |
koikaze-恋風 | (lett. liefdeswind) een woord dat wordt gebruikt om uit te drukken een ongelukkige liefde (liefde die bekoeld wordt door de wind) |
koinobori-鯉幟 | traditionele karpervormige wimpels [windzakken] (worden in Japan opgehangen tijdens het Jongensfestival op 5 mei) |
kokufū-谷風 | dalwind |
kōsa-黄砂 | geel zand (dat door de wind tussen maart en mei vanuit China over Japan wordt verspreid) |
kunpū-薫風 | zachte zomerwind; zomerbries |
kuru-繰る | spoelen; (op)winden |
kyapusutan-キャプスタン | (scheepvaart) kaapstander; windas |
kyōfū-強風 | sterke [stormachtige] wind |
kyōfū-狂風 | heftige [razende] wind; storm |
kyōsō-狂騒 | uitzinnigheid; kabaal; opwinding |
kyūsoku-急速 | snel [vlug; gezwind] zijn |
maho-真帆 | het zeilen met de wind mee [met rugwind] |
makitoru-巻き取る | winden; spoelen; (iets) ergens omheen wikkelen |
makitsukeru-巻き付ける | winden; draaien; knopen; vastbinden |
maku-巻く | (op)winden; oprollen; omwikkelen; omstrengelen |
matsukaze-松風 | (het geluid van) de wind die waait door de dennenbomen |
miihaa-みいはあ | iemand die met alle winden meedraait; aansteller; navolger |
minamikaze-南風 | zuidenwind; zuidelijke wind |
mogaribue-虎落笛 | het fluitende geluid van een winterse wind die door een bamboe hek waait |
monsūn-モンスーン | passaatwind |
mufū-無風 | geen wind; windstilte |
mukaikaze-向かい風 | tegenwind |
mushaburui-武者震い | het schudden of trillen van opwinding |
nagi-凪 | kalmte; windstilte |
nagori-余波 | golven die overblijven nadat de wind is gaan liggen |
namikaze-波風 | (harde) wind en (hoge) golven |
nanpū-南風 | zuidenwind; zuidelijke wind; zomerwind |
nishi-西 | de westenwind |
nishikaze-西風 | de westenwind |
oikaze-追い風 | wind mee; rugwind |
onara-おなら | een scheet; wind(je) |
ononoku-戦く | (van angst, kou, opwinding etc.) beven; huiveren; rillen; trillen |
ookaze-大風 | een sterke [harde] wind; storm |
oroshi-下ろし | een wind die van de bergen waait |
pyūpyū-ぴゅうぴゅう | (onomatopee) scherp [schril] [hoog] fluitend geluid van wind of projectielen |
reppū-烈風 | harde [stormachtige] wind |
riji-理事 | directeur; bestuurder; bewindvoerder; beheerder |
ryōfū-涼風 | koele [verfrissende] wind [bries] |
sakurafubuki-桜吹雪 | kersebloesem die door de wind (geblazen) dwarrelen in de lucht (als sneeuw) |
sanpū-山風 | bergwind |
sayoarashi-小夜嵐 | krachtige avondwind; stormachtige wind in de nacht [avond] |
seifū-清風 | verfrissende wind; aangename (koele) bries |
seiken-政権 | politieke macht; bewind; regering; kabinet; regime |
seiran-青嵐 | frisse zomerwind (wind die waait door groen gebladerte) |
seisei-凄清 | harde [gure] kou; koele windstroom |
senpū-旋風 | wervelwind; (kleine) cycloon |
shichiseki-七赤 | 7de van de 9 astrologische tekens in de Onmyōdō kosmologie (horoscoop en waarzeggerij; verwant aan planeet Venus, windrichting west en element metaal) |
shidai-四大 | (boeddha.) de vier elementen (aarde, water, vuur en wind) |
shinpū-新風 | frisse [nieuwe] wind; nieuwe fase [trend; aanpak; stroming; stijl] |
shiokaze-潮風 | zilte zeewind |
shippū-疾風 | een sterke [krachtige] wind |
shōfū-松風 | (het geluid van) de wind die waait door de dennenbomen |
shōrai-松籟 | het geluid van de wind die waait door pijnbomen |
shūfū-秋風 | herfstwind |
shunpū-春風 | lentewind; lentebries |
sonarematsu-磯馴れ松 | door de (zee)wind geteisterde pijnbomen; pijnbomen (aan de kust) met laaghangende takken door de zeewind |
soyokaze-微風 | lichte wind; zacht briesje |
sujigumo-筋雲 | cirrus; vederwolk; windveer |
sukōru-スコール | rukwind; windstoot; windvlaag |
suriringu-スリリング | spannend; enerverend; opwindend; zinderend |
suriru-スリル | sensatie; opwinding; spanning |
suzukaze-涼風 | koele bries; verfrissend windje |
tachikaze-太刀風 | het zoevende geluid [geruis] van een zwaardslag; de wind veroorzaakt door een zwaardslag |
taisei-体制 | de gevestigde orde; de autoriteiten; het regime; het bewind |
taiyōfū-太陽風 | zonnewind |
takaburu-高ぶる | zich opwinden; zich druk [zenuwachtig] maken |
taku-鐸 | windgong |
tamasudare-玉簾 | Witte westenwindbloem (Zephyranthes candida) |
tanikaze-谷風 | dalwind |
tatsumaki-竜巻 | tornado; wervelwind |
teisei-帝政 | monarchistisch (keizer of koning) bewind [bestuur; heerschappij] |
tenrai-天籟 | het geluid van de natuur [van de wind} |
tōchi-統治 | heerschappij; bewind |
tōfū-東風 | oostelijke wind; oostenwind |
tōfū-東風 | (volgens de leer van de vijf elementen) lentewind; voorjaarswind |
tokimeku-ときめく | snel kloppen van het hart (van geluk, opwinding of vreugde) |
toppū-突風 | windvlaag; windstoot; rukwind |
tsūkai-痛快 | opwindend [spannend; geweldig] zijn |
uinchi-ウインチ | lier; haspel; windas |
uindō-ウインドー | Window (computer besturingssysteem) |
uindoburēkā-ウインドブレーカー | windjack |
uindosāfin-ウインドサーフィン | windsurfen |
uindoyakke-ウィンドヤッケ | windjak; windjack |
uindoyakke-ウインドヤッケ | windjack |
uma-午 | (windrichting) het zuiden |
urakaze-浦風 | zeewind; zeebries |
windouzu-ウィンドウズ | Windows (het computerbesturingssysteem van Microsoft) |
windouzubisuta-ウィンドウズビスタ | Windows Vista |
windouzuekkusupī-ウィンドウズエックスピー | Windows XP |
windouzuenutī-ウィンドウズエヌティー | Windows NT |
windouzukyūjūgo-ウィンドウズキュージューゴ | Windows 95 |
windouzukyūjūhachi-ウィンドウズキュージューハチ | Windows 98 |
windouzunisen-ウィンドウズニセン | Windows 2000 |
windouzusantenichi-ウィンドウズサンテンイチ | Windows 3.1 |
windouzu・akuseraretā-ウィンドウズ・アクセラレーター | Windows Accelerator (computer programma) |
windouzu・sābisupakku-ウィンドウズ・サービスパック | Windows Service Pack |
winzāgurīn-ウィンザーグリーン | Windsor groen (kleur) |
yakke-ヤッケ | jak; jack; windjak; windjack |
yamakaze-山風 | wind die waait in de bergen |
yamakaze-山風 | bergwind |
yamaoroshi-山颪 | bergwind; wind die waait [raast] door de bergen |
yamase-山背 | koude wind die uit de bergen komt |
yamasekaze-山背風 | koude wind die uit de bergen komt |
yokaze-夜風 | nachtwind; avondbries |
yomo-四方 | de vier (wind)richtingen; alle kanten; overal; de omgeving |
yoru-縒る | ineendraaien; in elkaar draaien; omwinden; twijnen |
yukioroshi-雪下ろし | sneeuwwind; een wind die sneeuw meevoert uit de bergen |
yūnagi-夕凪 | (tijdelijke) windstilte 's avonds aan zee (bij de wisseling van zeewind en landwind)) |
zōsengyō-造船業 | scheepsbouwindustrie |
zukezuke-ずけずけ | (onomatopee) openhartig; (onaangenaam) oprecht; onverbloemd; er geen doekjes om winden |