jiseki-自責 | zelfverwijt |
kashaku-呵責 | beschuldiging; blaam; verwijt; kwelling |
menseki-面責 | beschuldiging in persoon; persoonlijke aantijging [verwijt] |
nagetsukeru-投げつける | tekeergaan; razen; tieren; (iem. verwijten) naar het hoofd slingeren |
satosu-諭す | terechtwijzen; (iem. iets) verwijten; waarschuwen; overtuigen; (iem.) overhalen (om iets te doen) |
setsuyu-説諭 | waarschuwing; vermaning; berisping; verwijt |
shirogisu-白鱚 | Japanse wijting (Sillago japonica); zilverwijting |
shisseki-叱責 | berisping; verwijt; reprimande |
togame-咎め | verwijt; afkeuring; berisping; straf |
togameru-咎める | beschuldigen; berispen; verwijten; ter verantwoording roepen |
urameshii-恨めしい | verwijtend; hatelijk; bitter; frustrerend |