手 te
1 hand; arm; voorpoot
手を振る
zwaaien; uitzwaaien
zwaaien; uitzwaaien
2 knecht; arbeider
手が足らない。
We hebben niet genoeg mankracht.
We hebben niet genoeg mankracht.
3 handschrift
4 een zet (bij schaken, etc.); kaarten (van een kaartspeler)
碁や将棋で悪手を打つ
een slechte zet doen in go or shogi
een slechte zet doen in go or shogi
5 handvat
6 moeite; inzet; inspanning
ちょっと手を貸して?
Kun je me even (een handje) helpen?
Kun je me even (een handje) helpen?
手に余る
onhandelbaar zijn; niet aankunnen; uit de hand lopen
onhandelbaar zijn; niet aankunnen; uit de hand lopen
手がかかる子供
een moeilijk kind; een kind dat veel aandacht nodig heeft
een moeilijk kind; een kind dat veel aandacht nodig heeft
7 bezit
安く手に入れる
iets goedkoop aanschaffen
iets goedkoop aanschaffen
Spreekwoord(en)/gezegde(s)
手が入れば足も入る
Als je hem een vinger geeft, neemt hij de hele hand. (lett. als je je hand erin steekt, gaan je voeten er ook in)
Als je hem een vinger geeft, neemt hij de hele hand. (lett. als je je hand erin steekt, gaan je voeten er ook in)
Kruisverwijzing
手