愛情 aijō
1 liefde; genegenheid; affectie; tederheid
愛情のある
liefdevol; liefhebbend; hartelijk
liefdevol; liefhebbend; hartelijk
愛情のない
liefdeloos; harteloos; gevoelloos; kil
liefdeloos; harteloos; gevoelloos; kil
愛情を注ぐ
(iem.) liefde [genegenheid] geven
(iem.) liefde [genegenheid] geven
愛情を抱く
liefde koesteren; zich hechten aan iemand
liefde koesteren; zich hechten aan iemand
愛情を持つ
verliefd zijn; liefhebben
verliefd zijn; liefhebben
親の愛情
ouderliefde
ouderliefde
愛情が深い
liefdevol
liefdevol