くち kuchi
1 mond; bek
2 spraak
3 smaak
4 opening; tuit
5 mond van een rivier

Spreekwoord(en)/gezegde(s)
口から生まれて口で果てる
Erg spraakzaam zijn. (lett. geboren uit de mond en eindigend in de mond)
口で貶して心で褒める
Kleineren [bekritiseren] met je mond, prijzen met je hart.
口では大阪の城も建つ
Dat is makkelijker gezegd dan gedaan. (lett. met de mond het kasteel van Osaka bouwen)
口と財布は締めるが得
Je kunt beter je mond en je portemonnee gesloten houden.
口に税はかからぬ
Je kunt zeggen wat je wilt; Praten kost geen geld. (lett. voor praten is er geen belasting)
口に戸は立てられぬ
Ik kan geen ijzer met handen breken. (lett. ik kan geen deur in mijn mond stoppen)
口に針
Woorden kunnen pijn doen. (lett. een naald in de mond)
口に甘きもの必ずしも腹を養わず
Zoete dingen in je mond voeden niet altijd je maag.
口に蜜あり、腹に剣あり
Iemand honing [stroop] om de mond smeren, maar achter zijn rug kwaad willen.; Mensen kunnen vriendelijke dingen zeggen, maar intussen een mes in je rug steken. (lett. honing in je mond, een zwaard in je buik)
口は災いの因 [口は災いの門]
De mond is de bron van het kwaad. [De mond is de poort naar het kwaad.]
口は閉じ、目を開け
Mondje dicht, ogen open.
口ほどにも無い
Grote woorden maar geen daden.; Veel geschreeuw en weinig wol.
口も八丁手も八丁
Goed kunnen praten en ook doen. Goed met de mond en met de handen. (lett. mond is vaardig en de handen zijn ook vaardig)
口より出せば世間
Een geheim verklappen. (lett. als het uit je mond komt, de wereld)